ONDERWATERSPIEGEL_verslag_Alyssa_Akkerman




Duikvakantie Bonaire – dag 1 Bonaire.
Het eiland van de Ik heb geen idee - ik ben er nog nooit geweest. Ik heb me ook niet voorbereid, ik laat me liever verrassen. Dochter Twee en Zoon Een en Drie hebben ons, Duikman en ik, naar de Schipholtrein gebracht. Zoon Drie droeg in de auto wikipediepoëzie voor over Bonaire. Aruba, Bonaire Curacao. Caribisch Nederland moet je het noemen. Er groeien ronde kazen in plaats van kokosnoten aan de palmbomen. Het is er momenteel 29 graden, elke dag. En elke nacht 27 graden. Om 06.30 uur is het licht en om 18.030 uur is het donker. En er ligt een beschamend stukje Nederlandse geschiedenis. Maar onder water zijn er heel mooie dingen, gewoon voor het oprapen. Je mag ze alleen met je ogen pakken, en met zo’n machtig toestel van bijvoorbeeld Camera Cor, onze duikende fotograaf of is het nou fotograferende duiker? Met z’n tienen zijn we. Drie snorkelaars en zeven duikers, van de befaamde duikclub OWSVD, uit Dronten. We stommelden uit de trein en dronken samen koffie op Schiphol. Schiphol is altijd druk. En sorteert onze handbagage naar de band met vermoedelijke smokkelwaar. Met handschoentjes aan doorzoeken de beveiligers onze spullen. Een vreemde onderwaterflitser, een tasje met kabeltjes, een paar complete ademsets. Het duurt wel een half uur, maar dat geeft niet; de voornaamste bezigheid op een luchthaven is toch wachten. Slenterend wachten, zittend wachten, staand wachten, toilet opzoeken, mensen kijken, wachten. En appjes lezen uit onze burenapp, van kinderen Drie, Twee en Een, die, eenmaal toch vroeg opgestaan hadden besloten om naar het bos te rijden, en vervolgens daar nu met de auto in de modder vastzitten. Stelletje kokosnoten. Het vliegtuig schudt een beetje. De hoofdconducteur zegt dat we onze gordels vast moeten maken. Buiten zie ik alleen maar wolken en zon, al uren en uren. En een oceaan, die zag ik ook, heel in de diepe verte. Af en toe kijk ik naar Dopey. Ze zit naast Piloot. Zij horen ook bij ons en hebben dikke verkering. Vooral vandaag is dat extra grappig, hij is niet de gezagvoerder van dit toestel, maar hij is wel Piloot. Laatst vloog hij nog in een helicopter een lawaaierig rondje over ons huis en kregen we een paar uur later prachtige luchtfoto’s. Maar zijn vriendin, die heeft vliegangst. Wat een match, die twee. Zo’n onverklaarbare angst van haar tenen tot haar ogen, die een beetje scheel kijken. Ze heeft namelijk een aantal pillen van de dokter gekregen en ik denk dat ze zich niet in kon houden en ze allemaal heeft genomen. Ze oogt garnaalstoned. Af en toe komen de stewardessen langs met iets te drinken, een warm doekje, een ijsje en een complete maaltijd. Je kon kiezen tussen gehaktballetjes met stamppot of salade en vegetarische pasta. Tenminste als je niet bij de laatste 50 passagiers zat, zoals wij, want toen waren de gehaktballetjes al lang op. Geen probleem gebaren we, behalve voor een paar zeurende mensen achter ons, die geen pasta lusten en bij de geduldige stewardess een kaasplankje en een bordje pompoensoep los weten te peuteren. Reisman krijgt er niet veel van mee. Hij heeft ultrasone anti-omgevingsgeluid-oordoppen. Ik denk van wel boven de honderd euro. Hij reist vaak en is er zeer mee in z’n nopjes. Hij is nu extra in z’n nopjes omdat hij tijdens het Schiphol-slenteren een boek heeft gevonden over het Khan-emperium. Hij is een heel fanatieke hobbymongool en tijdens het lezen sluit hij mij buiten, met zijn ultrasone oordopjes. Nou, gezellig. Ik ga even lopen en twaleteren. Reisman heeft me aangewezen dat achterin het vliegtuig nog een groot compartiment is, dus ik ga daar even een rondje lopen. Het blijkt helemaal niet waar te zijn; ik kom terecht in de cabine van de stewardessen, die vragen of ze iets voor me kunnen doen. Het lijkt opeens een beetje op een film, waar dan van alles misgaat; een straalmotor die opeens naar beneden valt, of spannende gevechten tussen boeven en airmarshalls. Ik heb al even gezocht in de uitgebreide rij films waar je uit kunt kiezen, maar zo’n film zit er niet bij. Wel ligt er voorin een baby, erg schattig en ontmoet ik bij de wc’s een man die al 20 jaar naar Bonaire gaat en ook duikt. Ook soms aan de Noordkant, maar daar gaat het erg te keer, vertelt hij. En vroeger ook wel eens naar een wrak dat op 60 meter diep ligt, met gewone perslucht. Oftewel snel naar beneden, drie minuten het kraaienest van het wrak bekijken en vervolgens vijf kwartier heel langzaam naar boven. Anders krijg je de decompressieziekte. En dat wil niemand. Veel te gevaarlijk. Het water is heerlijk. Pislauw!, roept Duikman. Dat klopt eigenlijk wel en mijn lichaam vindt het raar dat het in het water ligt, maar niet hoeft te bibberen, zoals anders. Ik tril wel een beetje, maar dat is van de spanning. Dit is bijzonder. Het is donker en ik spartel met Duikman, Ted, Jan en Marijke in de Caribische Zee, aan de westkust van Bonaire. Waar nooit golven zijn en waar het nooit waait, behalve deze avond. Normaal houdt het kleine onbewoonde eiland Klein Bonaire in de verte alles tegen. Maar het stelt niet veel voor, hoewel je wel uit moet kijken dat je je in de deining niet stoot aan onverwachte grote stenen onder water. Heerlijk dat water en het flapperen met je ledematen na die lange reis. Twee busjes hadden ons tiental van de luchthaven naar de villa aan de tropische oceaan gebracht. Met eigen toegang naar het water, op werkelijk slechts enkele meters vanaf de tuin. Een tuin met veel leefruimte en ligstoelen, een barbecue, een buitendouche en wat al niet meer. En binnen is alles ook helemaal geweldig. Het blijft raar, reizen per vliegtuig; onnatuurlijk ook, in één dag naar de andere kant van de wereld, in een volledig andere wereld. In Nederland is het herfst en hier staan we aan het begin van 13 dagen in een hemdje en korte broek rondscharrelen en af en toe duiken, snorkelen of zwemmen. Wat een vooruitzicht!

Duikvakantie Bonaire - dag 2
Ik voel enige jaloersheid met betrekking tot duikende fotografen. Hoe kan ik in vredesnaam alles wat hier te zien is onthouden? Overal in mijn blikveld zweven de designvissen trots voorbij, in onbeschrijfelijke kleurencombinaties. Niet alleen hun kleuren zijn geweldig, maar ook de bijzondere kleding die ze dragen. Er zijn kleine diep- en diepblauwe vissen, en alsof dat niet mooi genoeg is dragen ze ook nog felblauwe, lichtgevende stippen op hun jasje. Honderd groengele, blauwgroene, zachtblauwe en zwartwitgestreepte exemplaren zijn al voorbijgekomen. En nu hang ik boven een prachtige vis, groter dan mijn laptop, die grote schubben als een mozaïekpatroon in beschaafd gedekte kleuren draagt. Behalve aan de onderkant, die is terracotta-rood. En zijn kop, zijn lichtbruine kop is getatoeëerd met het stadsplan van de Londonse metro. Ik blaas mijn snorkelpijpje leeg en zwem een stukje verderop. De hele Venco snoepfabriek danst hier voorbij, want ook de kleine visjes zijn om op te vreten. En dat alles tegen een achtergrond, vanuit mijn snorkelpositie gezien, van prachtig wit zand, afgewisseld met koraalstenen, ik weet er geen ander woord voor - in alle denkbare vormen. Als we uit het water komen is het nog maar 07.00 uur, en nog niet helemaal licht. Afgewisseld met ontbijt en koffie met appeltaart - alles verzorgd door de verhuurder van dit paleis - snorkelen we in wisselende samenstelling nog een keer. En nog een keer. En nog een keer, nu naar de steiger die verhuurder Lambert had aangewezen. We kunnen er snorkelend naar toe. Onze duiklaarsjes in onze vinnen, bikini, duikbril, snorkel. Ik heb een lastige snorkel, die telkens zout water in zijn onderste kromming laat rondrochelen. En af en toe krijg ik dat in mijn mond, wat niet zo erg is omdat ik dat dan weer net zo hard terugrochel, maar soms komt het onverklaarbaar achter in mijn keel terecht. Dat prikt en laat de boel kokhalzen. Dan moet je even proesten en heel hard bah-gadverdamme! roepen, dat helpt, en dan snel weer verder. Dat het morgen Halloween is is onder water goed te zien; oranje gezellige pompoenen versieren hier en daar de lichte ondergrond. In Zeeland is het stof bruin, hier is vreemd genoeg bijna geen stof en het is wit van kleur. We bereiken een grote vierkante steiger en we kunnen er onder. En kijken onze maskers uit. Zo veel vissen, nu ook hele scholen, zo veel verschillende, zo veel kleuren. Het lijkt alsof we in een wasmachine zitten die rustig de bonte was draait. Grappig dat de vissen een rustige cirkel zwemmen met ons erachteraan, en zij weer achter ons aan. Er zijn ook langgerekte trompetvissen, met een afgeplat slangenlichaam en een lange snuit. Ze hangen rechtop in het water, met de kop omlaag. Maar we moeten terug, tegen de lichte stroming in. Wat een dag, en hij is nog lang niet om. Nog mooier wordt het. Na het halen van de huurauto’s, de boodschappen en de gebakken eieren was het even gutsend zweten en lang wachten bij de materiaal- & duikschool, maar nu zit ik in mijn dunne pak in een duikset en dompel mezelf naast Duikman onder. Niet naar rechts gaan, zei de duikschooldame, maar dat doen we toch. Want links, niet ver weg, is ons huis, en daar kunnen we nog genoeg duiken. En o jongens en meisjes, wat is het mooi. We zwemmen langs een heuvel die vanuit mijn perspectief alleen maar een lange wand naar beneden heeft, begroeid met alles wat er in dit natuurgebied te vinden is. De oceaan, helemaal rondom Bonaire is honderd procent beschermde natuur. Om hier te mogen duiken moet je een duikpas kopen; 25 dollar per persoon. Maar dat betalen we natuurlijk graag, want het is hier wonderschoon. Je mag er niet duiken met een pak met speciale kniestukken, je mag nergens aankomen, geen zonnebrandcrème op je huid hebben en zelfs niet duiken met handschoenen aan. We hangen stil op de heuvel bij een grote groene papegaaivis, die met zijn lompe bek grote happen uit de begroeiing van de koraalstenen neemt. Er zijn georganiseerde groepen vissen, kwartetten en tweetallen. Lichtgekleurde vissen happen zand, zwemmen iets omhoog en spugen het weer uit om in de omlaagdwarrelende korrels het lekkerste eruit te kunnen pikken. Er zijn gestreepte vissen die niks doen, alleen een beetje rondhangen. Een klein visje dat dikker is dan hij lang is, als een soort zwelvisje, dartelt koddig voor ons uit. We moeten iets omhoog om te zorgen dat we de bijzondere begroeiing niet raken. Zachte koralen, harde waaiervormige soorten of groteske ronde vormen die eruit zien als hersenen. We zijn ver van de duikschool vandaan en onder een oude pijpleiding doorgezwommen. Ook de terugweg blijft prachtig en we snappen niet waarom de duikschooldame ons niet deze kant op wilde laten gaan. Mijn duikvaardigheden zijn deze duik relatief gezien prima. Ik heb een riem om met twee ouderwetse grote stukken lood eraan geregen en die heb ik vlak bij de gesp, voor mijn onderbuik geschoven. Het zijn kromme stukken lood en ze doen niet eens pijn aan mijn heupen. Ze werken fantastisch, en ik duik veel stabieler dan normaal. Hoewel we speciaal van tevoren een dubbel 5 fles gereserveerd hadden, passend ook op mijn eigen jacket, bleek die er toch niet te zijn. Morgen is er misschien een dubbel 7, maar dat zie ik eigenlijk helemaal niet zitten. Ik vind alle flessen die ze hier hebben lijken op de raketten van Kim Jong-Yl. Ik krijg er pijn in mijn rug van en heb echt het gevoel dat ik onderaan die fles vastgebonden zit en vind het heel moeilijk om mijn romp te ontspannen. Maar dat lood voor mijn buik, dat gaat helemaal goed. Ik leg het in onze pick-up, samen met een nieuwe fles voor morgen en loop naar huis. Mijn Duikman is onvermoeibaar en ik wil hem bijhouden. Iedereen is aan het uitbuiken van de heerlijke maaltijd die Moeder Maria voorbereid heeft en Duikman geroosterd, maar wij gaan op nachtsnorkelexpeditie. Voor de vijfde keer vandaag op ontdekkingstocht, Duikman voor de zesde keer. ’t Is duister en we hebben allebei een lamp. Mijn blote lichaamsvel huivert deze keer. We laten onze lampen over de bodem schijnen en zien dat de zee er verlaten bij ligt. De honderdduizendmiljoen vissen hebben een plek gevonden om te slapen. Een paar zijn nog op en wapperen slaperig boven de bodem. Af en toe zien zijn er een wat nachtbrakers op pad, die fit en alert hun baantjes zwemmen. Ze zijn sneeuwwit en tegen het witte zand niet goed te zien, tegen de iets donker begroeide stenen wel. Het is hier nu heel anders dan toen de zon nog op was. Het doet een beetje denken aan duiken in Nederland overdag, alleen dan zijn de kleuren bruin en wit omgedraaid. Een paar wegkruipende paarse en lichtblauwe vissen zien er wel extra mooi uit in het licht van onze lampen. Opeens nadert er iets uit de onzichtbare verte. En nog iets en nog iets. Zes enorme zilveren beesten. Ze lijken van verschillende kanten te komen en Duikman en ik stoten elkaar aan. Dit is geweldig, reusachtig en fabelachtig. Het zijn lenige snelle vissen zo groot als de afstand tussen mijn vinnen en mijn borst, ze zijn puur zilver, met grote schubben en hun bolle ogen lichten spookachtig op in het licht van onze lampen. Ik heb hier wel eens over gehoord; nachtrovers die in het licht van je duiklamp jagen op klein wild. En de jacht begint. De kleine sneeuwwitte vissen zijn de prooi. Een van de grootste jagers zwemt er langzaam, bijna achteloos achteraan, alsof hij alleen maar even wil kijken en ruiken - de kleine vis lijkt niets door te hebben - om dan opeens met een knal toe te slaan. Wat een machtig gezicht. We zwemmen achter ze aan, maar hebben later door dat dat niet nodig is, ze zoeken ons steeds weer op. Het is fantastisch, een beetje eng ook wel, de grootste zwemt zelfs met zijn staartvin tegen mijn hand. Ook Duikman raakt er eentje aan. Zo prachtig en we proberen langzaam dichter naar de kant te komen, roepen naar de rest van onze duikgroep en zelfs zij kunnen nu vanaf de kant in het licht van onze lampen de prachtige beesten volgen. Vlak naast ons is één zo wild aan het jagen dat zijn prooi tot drie keer toe boven water gegooid wordt, of dat zelf doet in een paniekerige poging te ontkomen. Wat bijzonder om dit mee te maken! Hebben we geluk of zouden we dit met de komende avonden nog een keer kunnen zien? Op de kant praten we met z’n allen nog even opgewonden door en zakt langzaam mijn hartslag weer in zijn gewone patroon. Wat een dag, wat een wereld, wat een wonderbaarlijke natuur. Jammer dat ik geen onderwaterbeelden heb. Maar dat komt vast nog wel. Glimlachend en bekaf typ ik een punt.

Duikvakantie Bonaire - dag 3
Wat een plek, wat een huis, wat een zon en wat een oceaan. Opstaan, bikini zoeken en dan kiezen: eerst een ontbijtje of eerst snorkelen? Er is hier uiteraard alleen airco in de sunset-villa-slaapkamers en zodra je je nachtverblijf verlaat loop je direct tegen een warme muur aan. We zetten de airco elke dag een graadje minder koud, dat lijkt me beter. Ik heb niet veel kleren mee, en natuurlijk al helemaal niets met lange ledematen, maar mijn wasstrategie kent een probleempje. Er droogt hier niets. Mijn duikpak en bikini zijn nog even nat als gisteren. Straks maar even in de volle zon hangen, dat moet toch helpen. Ikzelf heb niet in de zon gezeten en toch heb ik een rode rug met wit streepje. Vandaag blijf ik ook uit de zon en ga gekleed snorkelen. Ik ben niet de eerste want Jan en Marijke waren al om een uur of 04.30 uur wakker. Waarop Duikman ook even zijn bed uit kwam om te vragen of het rinkelende uitpakken van de afwasmachine mogelijk ook op een ander tijdstip zou kunnen gebeuren. Om een uur of 06.00 stond hij ook maar op voor een ochtendzwem en even later voor een snorkeltripje met Jan. Ik wil ook, met shirtje ter bescherming. Heerlijk, zo vanuit je bed de tropische onderwaterwereld in. Alle vissen zijn weer paraat en scharrelen tevreden rond. Ik zie weer nieuwe, zoals een exemplaar in militaire camouflage met varkensneus en een team slanke vissen dat doet aan synchroonzwemmen. Een groene grote papegaaivis doet een wedstrijd met zo’n Londense metro-beest. Dan kun je zien hoe hard ze eigenlijk kunnen zwemmen en dat ze om ons een plezier te doen zich met hun mooie kleren aan meestal gezapig traag voortbewegen. Hello, groet een snorkelende Amerikaan. Did you see the Eagle Ray? Nee, maar dat zou ik wel willen, dus ik ga snel weer verder. Geen idee hoe die eruit ziet, maar You’ll know it when you see it, had de man gezegd, it’s absolutely beautyful. Ik strek me even zo lang mogelijk uit, mijn rug is geframmedeerd van al dat zwemmen, snorkelen en duiken. Ik moet er maar even uit. Ffffrt, ffffrrt, in onze tuin fladdert een kolibrietje van bloem naar bloem. Met zijn donkerbruin en groen vlinderlicht lichaampje en zijn effectieve kromme snaveltje. Onze tuin bestaat uit palmen en bloeiende struiken. Op de hoogste tak fluit een Bonairs duifje en in de verte vliegen boven het water grote vogels die we nog niet hebben kunnen determineren. De eerste kwetterende papegaaitjes zijn ook gesignaleerd. In verband met de dakhoogte zijn hier geen mussen. Jan heeft in een struik een felgroene bloemenetende hagedis gevonden. Het beestje kauwt lollig de paarse bloemenkelkjes naar binnen, terwijl hij door drie mensen gefilmd wordt. Grijsbruine hagedisjes komen ook regelmatig voorbij. Inheemse zoogdieren in het wild zijn hier bijna niet, heeft eergisteren inheemse chauffeur Henk verteld. In het natuurpark een paar moeilijk te vinden konijnen en verspreid over het eiland verder alleen wilde ezels. Mooie vogels zijn er wel. Ik had nog nooit snorkelend naar vissen gekeken terwijl ik vogels hoor kwinkeleren. We snorkelen nog even in een grotere groep, die snel uitwaaiert en ontdekken onder een scheve grote koraalsteen een hele grote kop. Met de grootste ogen die ik tot nu toe gezien heeft. We maken steeds een hoekduikje om te kunnen zien wat voor beest het is, maar hij houdt zijn lichaam verstopt. Opeens zitten we in een school paarse en zwarte vissen, een heel mooi gezicht. Sommige andere gele, witte en gestreepte vissen vinden dat ook en zwemmen stiekem, net als wij aan de rand mee. Ik draai mijn hoofd om om alles goed te kunnen zien en mijn snorkel geeft mij weer een hap zeewater. Ik krijg het ook in mijn neus en steek mijn hoofd maar weer boven water. Omdat het echt vakantie is doen we rustig aan en genieten van het uitzicht en de lome warmte. Maar na een aanrechtlunch starten we de twee witte oncomfortabele pick-ups. Voorin zit je als een vorst maar achterin zit vooral Don Corleone opgefrommeld als een oude zak-doek. Eerst nog een paar duikflessen halen, daar hebben we een elfstedentocht stempelkaart voor. Duikman rijdt voorop en krijgt commentaar op zijn stuur- en gasgedrag. Daarna gaat het beter. We willen tenslotte elke geit, ezel en cactus kunnen zien. De lange stekelplanten groeien hier goed en worden zelfs gebruikt als heg. Overigens is het eiland verder ook best groen, het afgelopen halfjaar is er genoeg regen gevallen, terwijl het regenseizoen deze week pas begint. Gelukkig had een Bonariaan ons gezegd dat het op een natte dag in Nederland de hele dag regent, maar op Bonaire altijd maar vijf minuten. Na een halfuur gehots en gebost op asfalt en stoffige weggetjes vinden we een duikstek waar maar een paar auto’s staan. Er is ook schaduw voor Moeder Maria en Don Corleone, die zullen gaan snorkelen. Sjonge wat een gezweet om alleen al dat duikpak aan te krijgen. Daarna klungelen we een stenen paadje af en laten ons gretig opnemen door de oceaan. Heerlijk. Wel uitkijken voor zee-egels. Eerst wat wit zand met hier en daar een kleurig vissebeest, daarna een prachtige helling omlaag. Vol leven, kleuren, wuivende koralen en de mooiste vissen. Ze zijn aan het eten, in het zand aan het graven, aan het koraal aan het knabbelen en achter elkaar aan aan het rennen. Ze zijn heel gelukkig. Opeens doemt er in de verte iets op, te ver om er naar toe te zwemmen, maar ik trek snel aan Duikmans jacket. Het zijn vier grote vissen, ik hoop haaien of zoiets spectaculairs. De kleine kleuren hieronder zijn mooi, maar deze grote vissen tegen de diepblauwe achtergrond zijn indrukwekkend. Jammer dat ze van ons af zwemmen. Er zijn ook grote Trompetvissen. Ze hebben een gekke bek, een slangenlichaam zo lang als mijn arm en een kleine staartvin. Ik steek mijn hand naar ze uit en het voelt of er een langs mijn vinger strijkt, maar misschien was dat alleen maar de waterverplaatsing. De wand naar beneden is echt heel erg fraai. Wat een afwisseling aan materiaal en kleur. Ik wijs dat ik nog wat dieper wil. Zo’n wand naar beneden jaagt angst aan. Alsof hij oneindig doorgaat of op zijn minst te diep is voor een mens. Toch is het spannend en als je eenmaal wat dieper bent lijkt het er niet meer zo donker. We gaan tot meer dan 20 meter diep, dat is wel wat over de grens die op mijn keuringsbewijs staat, maar in helder water is dat vast prima. Links en rechts peddelen de grote en kleine jongens ons gemoedelijk voorbij. We gaan rustig aan weer wat verder naar de kustlijn en daar wordt het opeens een stuk donkerder. Er is hier een rotswand die een stukje overhelt en die er duister uitziet. Duikman wil even boven water kijken. Hij wijst, ik kijk ook. We zijn wat mij betreft ongemerkt een behoorlijk stuk van de instap afgedreven. We zwemmen onder water terug, over de witte zandbodem met slechts hier en daar een begroeid stuk koraalsteen en af en toe een vis. Een stuk minder leuk en een stuk lastiger dan de heenweg, maar dat hoort er ook bij. Fijn dat deze duikstek een paar bomen heeft, want zonder schaduw kun je hier niet leven. We zijn jaloers op Marijke: zij heeft een schildpad gezien. Die heeft iedereen nog op zijn wensenlijstje. Boodschappen, even niks doen, Moeder Maria kookt en daarna is het plan dat we met alle duikers samen met de tarpons op jacht gaan. Zo moe als ik nu ben ben ik nog zelden geweest, ik heb in 36 uur al 8 keer een snorkel- of duiktocht gedaan. Ik moet mijn kruit ook niet zo snel verschieten. Maar per se wil ik mee, dit wil ik niet missen. Als we in het water liggen voel ik dat er iets niet klopt: ik ben aan het snorkelen met perslucht; ik heb helemaal geen lood om. De toeschouwers op de kant helpen me en ik kan gelukkig nog mee. We zien meteen een hele grote rare kreeft, met enorme stevige voelsprieten, in een knik, bijna zo lang als mijn armen. Dan zijn we opeens bij de drop-off. Dat wil ik helemaal niet. Het is donker en ik wil een beetje op zolder blijven. Niet naar die duistere kelder afdalen. Hier zijn die tarpons niet hoor, die willen boven op de vlakte jagen. Ik hou Duikman vast en word afgeleid door al het moois aan de muur van de kelder. Hier en daar schrikt een verstopte vis wakker of beweegt ergens een staart. Ik wil eigenlijk terug, dit duurt te lang. Maar dan is er de eerste flits, een verchroomde krachtige tarpon. Zijn ogen lichten op in het licht van onze lampen, dofrode uitdrukkingsloze ogen zonder pupil. Duikman en ik zwemmen wat voor de rest van de groep en keren dan naar ze terug. Camera Cor heeft het heel druk en probeert met zijn drie ogen de jacht vast te leggen, de anderen schijnen bij. Ik draai om mijn as, zwem naast iemand, achter iemand, boven iemand - terwijl de jagende grote zilveren machines om ons heen schieten. Ik word misselijk en ook een beetje angstig. Ik wil naar boven. Jammer voor Duikman, maar ik kan niet meer. We praten even boven water, maar we begrijpen elkaar niet. Waarna ik ook nog heel erg schrik, tegen een kleine paniek aan als we naar huis zwemmen en hij om mij te helpen met een ruk mijn vest leeg laat lopen. Geen leuk moment, maar de tarpons save the day - vier grote en drie reusachtige exemplaren verschijnen opeens in het licht van onze lampen. Die beweging, die kop, hun robotachtige gestalte en vooral hun nabijheid; twee keer strijken ze langs mijn hand! Ze zijn glad en hard. Camera Cor en Piloot vertelden dat ze een schedel hebben - zeer zeldzaam voor vissen - en nog specialer: ze hebben naast kieuwen ook longen, zodat ze in zuurstofarm water als een zoogdier boven water lucht komen happen. We lokken de beesten helemaal mee naar het huis, zodat de toeschouwers ze ook kunnen zien, en daar grijpen ze witte nietsvermoedende visjes met veel snelheid en geweld. Ze kauwen er niet op; slikken ze heel door. Ted, Piloot en Jan zijn er nu ook en Duikman zet notabene opeens de achtervolging in op een schildpad. En daarna ziet hij samen met Camera Cor niet alleen hoe een tarpon een vis vangt, maar hoort onder water zelfs de vissenkaken op elkaar knallen. Ik kan me nauwelijks staande houden in de ietsje aanzwellende branding, krijg kramp, val achterover, schrik, maar kan me snel omdraaien en de kant op klimmen. Wat een schouwspel, wat een teamwork en wat een prachtige, heftige ervaring!

Duikvakantie Bonaire - dag 4
Er ligt alweer een cruiseschip. Het is belachelijk groot. Als een drijvend flatgebouw torent het boven alles uit. Het is veel te groot voor dit eiland. Gisteren lag er ook een en was het langs de haven zo druk dat we er in de file stonden. De toeristen van de boot, keurig geklede Aziaten en Amerikanen met felwitte sokken zijn gemakkelijk te herkennen. Maar wij moeten door. Eerst Don Corleone en Maria even afzetten bij de autoverhuur. En dan op zoek naar het gebied waar zout wordt gewonnen. Dat is niet zo moeilijk; we herkennen het direct vanuit de verte. Grote heuvels spierwit zout liggen naast grote zoutwaterbekkens. Daar is het water roze, vreemd. Vlakbij en onder een leidingsysteem parkeren wij onze pick-ups in de schaduw. Ik ga vandaag in een shorty duiken, met Ted. Als we de duik beginnen begrijp ik pas dat we helemaal naar de grote bouwwerken verderop gaan. Opeens krijg ik het daar benauwd van. Helemaal daar? En dan is daar ook nog een drop-off? Nou en, zegt mijn hoofd. Hell no, zegt mijn borstkas. Na 30 meter duiken wil ik naar boven. Ik wil dit niet, zeg ik tegen Ted, ik vind dit niks. Onzin, zegt Ted, het stelt niks voor. We kunnen er eventueel ook ontspannen op onze rug naar toe zwemmen. Maar ik vind het niet erg dat het ver zwemmen is, ik vind het naar dat het zo ver weg is. Ted ziet de logica niet en we laten ons weer zakken. Het is hier niet diep en ze kijkt twee keer op haar kompas en opeens wordt het dieper en lijkt het of we in een bos zijn. Ver uit elkaar staan hoge bomen met ruwe stammen - de palen waar boven water grote de constructies op rusten. Er zijn bosjes en plantjes en dieren. Ik zie zelfs paddenstoelen en aan boom lijkt wel een grote elfenbank te hangen. Een groteske vis ziet er met zijn ronde zwarte ogen uit als een konijn. Het is hier mooi. We gaan wel diep vind ik, maar het gaat toch goed met mij tijdens deze leuke bosduik. We komen onze partners, die samen duiken, ook tegen als geroutineerde houthakkers in het bos. Tot overmaak van pret zien we een echte slang. Hij probeert heel druk met zijn kop ergens een gat in te boren en ziet ons niet. Zijn lichaam schokt en kronkelt. Ik steek mijn hand naar hem uit, maar Ted trekt mij met een ruk terug. Giftig?, roep ik door mijn ademautomaat. Ze knikt heftig van ja. Ook zie ik dat hij niet met zijn kop in het gat zo druk zat te doen, maar met zijn staart. Gek. Er zijn hier ook veel kleine visjes, alsof het een kraamkamer is van allerlei soorten. Er kronkelt twee keer een lange lenige slangachtige vis onder een schuilplaats vandaan, dat zijn murenes. Steeds kijk ik ook boven ons en achter ons en in elke diepblauwe verte. Het is heel mooi om daar de vaak wat grotere vissen achteloos voorbij te zien komen, maar we hopen eigenlijk op een schildpad. Geleidelijk begint onze terugweg en Ted laat zien hoe lang deze duik nu al duurt: 60 minuten. Ben blij dat ze me in het begin heeft meegesleept. Ook de rest is lang in het bos gebleven en gelukkig niet verdwaald. Gauw vertellen we aan elkaar wat we gezien hebben, pellen een eitje en eten brood uit de koelbox. We klotsen in de pick-ups, die steeds viezer worden, over asfalt, stof en stenen. We stoppen bij de slavenhuisjes en gaan en er even in liggen om te kijken hoe krap dat was. Een Amerikaanse toerist wil net een foto maken als Piloot opeens zijn blanke hoofd met zonnebril door het raampje steekt. De slaven moesten werken in de zoutwinning en schepen volladen met zout. Wat een akelige geschiedenis. Zwetend rijden we verder en zien een pelikaan en roze flamingo’s. Duikman rijdt en die zoekt het liefst een plek waar niemand wil duiken. In de geest van onze Tsjé-groep: waar iedereen links gaat moet jij rechts gaan. Duikman en Piloot in de andere wagen geven het stuur een ruk naar rechts. Een rommelige stukje Bonaire met huizen in aanbouw of afbraak, dat is niet altijd duidelijk en daartussen een stukje niemandsland vlak bij een wel bewoond huis. De zee is hier niet al te ruig. Wel is het moeilijk om in het water te komen zonder op een pikzwarte zee-egel te trappen. De zon is meedogenloos, en hoewel ik hem steeds uit de weg ga zijn vandaag mijn kuiten getroffen door zijn hete straling. Snel het water in. Nog moe van de vorige duik ga ik lekker snorkelen met Marijke. Zij is er goed in. Ze ligt als een soepel kwalletje in het water, ledematen naar alle windrichtingen uitgestrekt en bekijkt dobberend alles wat zich in ons gezichtsveld afspeelt. Ondertussen ademend door haar pijpje. Ik doe haar na. We proberen eerst even uit of de stroming niet te sterk is, maar dat valt best mee. 't Is af en toe wel een geklots op en neer, maar als je naar de bodem blijft kijken word je bijna niet misselijk. Er lijkt hier een smalle onderwaterrivierbedding te lopen. De vissen gebruiken het als winkelstraat. Het is er gezellig druk en het valt op dat de vissen zich hier heel levendig gedragen. Ze rennen in groepjes heen en weer of zwieren van links naar rechts. Onder een overhangend stukje rots is een kleuterschool. Kleine visjes leren vis te zijn en hoe in school een botsing te voorkomen. Papegaaivissen hebben niet goed opgelet. Die zie je regelmatig met een andere vis rotzooien en lomp met hun geopende snavel tegen een begroeide steen botsen. Het zijn de hooligans van de zee. Als je er dichtbij hangt kun je zelfs horen hoe ze aan het grazen zijn, heel bijzonder. Onze snorkelconcentratie wordt ruim beloond. Ik zie opeens een donkere ovale grote vlek en roep gorgelend mijn buddy. Kijk! Schildpad! Hij fladdert vriendelijk met zijn voorvleugeltjes voor ons uit. Op zijn schild heeft hij twee ruwe knobbels, ik weet niet waar die voor dienen. Zijn achterflappers hangen ontspannen onder zijn schild. We volgen hem, hij haast zich niet, maar heeft ons denk ik wel in de gaten. Dan zie ik opeens een andere grote vorm, wit afstekend tegen een groene waaiervormige plant. Alsof hij zelfs ook vond dat zijn blanke volslanke lichaam mooi uitkomt tegen die achtergrond, hangt daar een reusachtige vis. Geen haaiachtige, geen karper, geen tarpon. Gewoon een Vis met hoofdletter V. Op zijn rug een korte lange rugvin, bijna zo lang als hij zelf. Aan de onderkant ook hier en daar een vin en een gewone staart. Hij blijft even hangen en besluit dan om ergens anders rond te gaan hangen. Wij gaan weer terug, maar blijven liever in het water dan rondhangen in de evenaarswarmte op de kant. Maar kijk, in een paar minuten tijd zijn de zes duikers ook opeens weer bij ons. Ze verhalen over een prachtige duik. Sandra en Ted zijn meer dan tevreden: ze vonden een zeepaard! We drinken snel zo veel mogelijk water, kieperen onze spullen in de laadbak en gaan lekker moe naar ons fijne huis. Vanavond maar een keer boven water blijven.

Duikvakantie Bonaire - dag 5
Een enorme hagedis schommelt over ons terras. Als we te dichtbij komen schudt hij met zijn kop. Er hangt een grote lap huid onder zijn kin die dan heen weer zwaait, dat dient waarschijnlijk om ons bang te maken. Er liep ook al meerdere keren een heremetietkreeftje op ons pad. Ik zette hem terug bij de zee, maar een paar uur later was hij weer terug! Ik weet zeker dat het dezelfde was, want hij miste een scherfde uit zijn puntige schelp. Helemaal weer drie meter omhoog gekropen en tien meter naar het huis. Ben benieuwd wat hij van plan is. Ik heb niet veel plannen. Ik ben een beetje ziek. Kun je verkouden worden en pijnlijke holtes, keel en oren krijgen van slapen met de airco aan? Mijn hoofd lijkt wel scheef op mijn romp te staan. Echt balen. Gelukkig gaan de duikers naar de Hilma Hooker, en zou ik toch niet mee kunnen. De Hooker is een vrachtschip van Nederlandse makelij dat gebruikt werd voor drugssmokkel en later is afgezonken. Ik ben ook high. Even spoelen met zout doet vast wonderen en Marijke en ik maken ons klaar voor een snorkeltocht. We gaan allebei netjes gekleed te water, ik doe zelfs iets op mijn hoofd, alles om te voorkomen dat de zon ons niet al te snel vermoordt. We zwemmen naar de vierkante steiger waar ik al een een keer geweest ben. En weer is dit duidelijk een plek waar de vissen graag chillen. Is het de schaduw? Is er te weinig ruimte voor grote rovers? Ik heb al die dagen trouwens alleen nog maar vegetarische vissen gezien. Behalve die robotachtige tarpons dan. Marijke wijst: een barracuda. Hij zweeft arrogant rond, met zijn bek een beetje open. We zien zijn scherpe puntige tandjes. Een keer heeft hij ruzie met een grote witte vis, en flitsen ze door het water. Op de terugweg hang ik boven een lange trompetvis die in het waaierkoraal speurt naar voedsel; kop naar beneden, blik omlaag gericht. Ik hang ook even op de kop en verslik me, maar dat is juist goed, even de boel doorspoelen met zout. Ik voel wel dat mijn lichaam niet in orde is, ik bibber een beetje van kou die er helemaal niet is. Nog een stuk van ons huis vandaan bestaat de oever uit een overhangende rots. Het water beweegt daar enigszins wild en je moet uitkijken dat je je hoofd niet stoot. Maar er hangt wel een forse groene vis, met grote ogen en ik zie dat er een klein visje aan zijn schubben knabbelt. Op de bodem zie ik nog meer van die kleine visjes, die wel wat op vlinderrupsen lijken. Als de grote vis wegzwemt laat het kleine visje los en gaat het op de bodem liggen. Zou het een poetsstation zijn? Dat bestaat toch? Een paar keer zien we zo’n mooie school ronde vissen, lichtpaars of donkerpaars of blauw. Altijd gesorteerd op kleur, met daartussen een paar andere vissen die een praatje komen maken. Ze gaan absoluut niet voor ons op de vlucht, als je wil mag je gewoon een poosje mee. Wat een wonderlijke wereld. We spoelen ons af en zoeken heel even een plekje in de zon. Daarna wordt mijn lichaam net zo zwaar als mijn hoofd. Ik schakel mezelf even uit. Hoe ging het op de Hilma Hooker? Ik probeer mijn groepsgenoten te interviewen, wat in een nogal chaotisch geheel ontaard. Ik begrijp dat ze boven water er naar toe gezwommen zijn, dat duurde ruim een kwartier. Na een afdaling, hopelijk keurig volgens het boekje, landde het team aan de schroefkant van het wrak. Ik begrijp ook van Camera Cor dat je best met slippers in je buitenvinnen kunt duiken. Met z’n zessen zijn ze helemaal vanaf de schroef langs het wrak gezwommen en hebben alles bekeken. Ze waren ook blij met de grote tandbaars die zich liet zien en zijn na hun wrakronde onder water weer naar de instap gezwommen. Ik wil nog weten wat ze erbij voelden, hoe de sfeer was en wat het spiritueel met ze deed. Maar het gaat nu opeens over de cocktailbar die ze stiekem bezochten terwijl ze zogenaamd boodschappen gingen doen. Ik ben inmiddels wel uit mijn zweterige coma ontwaakt. Ik lag in zo veel mogelijk schaduw maar nog is de warmte, laat ik het mild uitdrukken, prominent aanwezig. Ik probeerde ook nog even de kwade geesten te bezweren in ons luchtgekoeld bed, met een hoofd dat 15 kilo weegt. We aten een met gezamenlijke inspanning voorbereide maaltijd die absoluut restaurantwaardig was. Ik ben weer op de been en heb oordrupjes gekregen uit de duikwinkel. Dat deed even pijn, maar hopelijk hebben ze een helende werking. We eten altijd heerlijk aan de grote tafel op enkele meters van de zee. Maar nu sta ik rechtop en zie hoe drie lichtkringen langzaam in de verte verdwijnen. Camera Cor is met twee bijschijners vertrokken naar de tarpons. Ze gaan proberen om een nu meer geregisseerde film te maken. Niet steeds met de lampen de tarpons volgen maar op de bodem en het liefst op een nietsvermoedend prooivisje schijnen. Ik sta klaar in m’n shorty en duikvinnen. Als de lampen op vijftig meter afstand weer verschijnen snorkel ik naar ze toe. En weer zijn er die ijzeren monsters, klievend door het water, op zoek naar levend voedel. De lekkere hapjes zitten overal goed verstopt, behalve de spierwitte. Die denken genoeg camouflage te hebben met het witte zand onder zich. Maar door onze lampen krijgen ze een schaduw en beginnen ze bovendien te bewegen. Het is moeilijk te begrijpen hoe tarpons jagen; het merendeel van de witte visjes ligt min of meer klaar om gepakt te worden, maar dat gebeurt niet. Hun bek zit min of meer naar boven gericht en je ziet ze vaak op hun zij kantelen om een vis te kunnen pakken. Ze lijken echter niet in alle visjes geïnteresseerd, of zien ze ze niet? Als ik wat voor de rest uitzwem verschijnt er opeens een grotere prooivis in mijn lichtbundel. De forse tarpon die rustig naast mij zwemt wordt nu opeens in een halve seconde actief en flitst op de grote vis af met al zijn kracht. Het is hier ondiep en ik ben even bang dat ik een klap van zijn lichaam kan krijgen omdat ze opeens heel gewelddadig kunnen toeslaan. Maar hij is al weer weg en ik kan niet zien of het gelukt is, wel ben ik diep onder de indruk. We proberen steeds te schijnen op het zand en Cor niet in de weg te hangen. De vissen zijn een paar keer vlak bij hem en zwemmen machtig voor de camera langs. Eindelijk zie ik ook een keer hoe een tarpon een succesvolle actie maakt en hoor zelfs de prooivis kraken! We zwemmen terug naar huis en de thuisblijvers (wijntje gehad of bang of anderszins even klaar met onder water gaan) kunnen vanaf ons terras ook nog een paar van de tarpons zien. Ze glimmen als opgepoetst chroom en het zijn prachtige dieren. En zoals ik ergens las: Bow for the Silver King. Met dank aan Sandra Nobel voor de onderwaterfoto’s.

Duikvakantie Bonaire - dag 6
Alcohol mengen met azijn, je oren na de duik uitspoelen met bronwater, droogmaken en zure drupjes gebruiken om de bacteriën in de gehoorgang te vergiftigen. Dat doe ik graag; mijn rechteroor doet pijn. En mijn linkeroor nog meer. Je kunt beter duiken met twee manke benen dan met zieke oren. We halen oordoppen in de duikwinkel en alcohol om met de azijn te mengen bij de drogist. Beide zaken zien er ongelofelijk netjes uit. Daarna laden we de pickups in en gaan op pad. We willen eigenlijk naar het natuurpark, maar omdat we wat oponthoud hebben (een vergeten jacket) veranderen we onze plannen - het is nogal een eind rijden - en belanden op duikstek 1000 Steps. Via een stenige trap bereik je na 70 treden het rotsige strand. Het schijnt 1000 Steps te heten omdat het voelt alsof je zo’n groot aantal treden naar boven gestrompeld bent omdat het bovenaan zo heet is. Voor mij voelt heel Bonaire heet. Dag en nacht. Het water geeft wel enige verkoeling - na het enorm zweterige werk van pak aantrekken en spullen klaarmaken. Maar Duikman heeft mijn set al voor mij aan de waterkant gebracht. Ik lig alvast even af te koelen in het water. Als we de duik aanvangen en ik even zijn hand vastpak voelt het alsof we onder water zweethanden hebben, ik voel dat ook wel eens aan mijn voeten. Nu wordt het even spannend. Kunnen mijn oren dit aan? We zwemmen voorzichtig steeds iets dieper, tot een meter of 6. Het lukt me om auw mijn oren te klaren; altijd het meest lastig tijdens de eerste 10 meter. Er is hier niet zo veel te zien, ’t lijkt ook iets troebeler dan we tot nu toe gezien hebben. Misschien komt het door mijn eigen getroebleerde staat van zijn. Ik ben niet meer zo ziek als gisteren, maar mijn oren doen pijn. Ik kan wel tegen pijn, maar hoe goed is dit voor mijn twee waardevolle schelpen? Duikman brengt me terug naar de kant en helpt me de set op een rots af te koppelen van mijn borstkas. Dan maar zachtjes snorkelen met Marijke, ook mooi. We zwemmen wat naar rechts en zien talloze grote bossen met oude hertengeweien op de witte zandbodem. Met fijne schuilplekjes voor oceaanbewoners. Heel even zie ik op het witte zand een platvis, met zo’n geweldige schutkleur dat ik hem na twee keer knipperen, hoe goed ik ook zoek, niet meer terug kan vinden. Een witte vis is heel geconcentreerd in het zand aan het graven en ik kijk er en poos naar. Het is het mooist om in ondiep water te snorkelen, anders vindt alles zo’n eind onder je plaats. Het is dan wel een hoop op en neer geschommel in de op zich rustige branding maar ik vind nu wel mooie plekjes met kleine visjes die hun grotkom niet verlaten. Vissen van pinkgrootte zijn het, of kleiner, en het is net of je in een zorgvuldig gearrangeerd aquarium kijkt. Een gekke vergelijking, want eigenlijk is het als je in een aquarium kijkt, net of je in de zee kijkt, en niet andersom. Opeens hoor ik Marijke pruttelend door haar snorkel roepen. Ik kijk boven water rond en herken het rode bovenkantje van haar adempijpje. Snel vin ik naar haar toe en zie de schildpad meteen. Hij is best groot en heeft een mooi gaaf schild. Vlak bij ons gaat hij even adem happen. Ik kijk dan even boven water, omdat het zo’n bijzonder gezicht is als hij zijn kopje even zo ver mogelijk de lucht in steekt. Zijn witte onderkant ziet er wel een beetje morsig uit. Rustig zwemt hij zijn rondje. Gelukkig weer een beetje richting kust want we zijn ongemerkt een heel eind afgedwaald. Zijn voorpoten zwieren als vleugeltjes soepel door het water. Hij zwemt en zwemt en zwemt. Ontspannen en ogenschijnlijk zonder plan. We houden een beetje afstand om hem niet te storen. Zwem zwem zwem. Dan kiest hij het ondiepe, misschien wil hij de kant op? Ik volg hem zo ver mogelijk; stoot mijn knieën aan de harde stenen. Gelukkig heb ik vandaag een lang pak aan. Sandra en Piloot zijn opeens in de buurt. Het gezellige beestje zwemt vlak achter hen maar ze hebben het te druk met hun duikbezigheden. Als Marijke naar ze zwaait en wijst zien ze het relaxte beest ook. En ook de rest van onze duikers, die twee aan twee, en Duikman alleen, binnendruppelen kunnen hem nog zien. We zijn, na wat brood en water met ijs, snel op de nieuwe duikstek, eigenlijk te snel. Tussen twee duiken moet tenslotte een fatsoenlijke oppervlakte-interval zitten. Onze duikers maken zich echter meer druk om de kleine vliegjes die met z’n honderden per persoon om je heen vliegen. Ze sturen ook graag je neus in en ze steken bovendien. Ik heb er niet zo veel last van en geef een stukje van mijn brood aan een groene leguaan. Op plekken waar regelmatig mensen komen laten die zich graag voeren. Ze zien er werkelijk prehistorisch en gevaarlijk uit, maar het zijn gewoon planteneters. Er zijn nog 9 andere soorten reptielen op Bonaire; gisteren kroop er zelfs een kleine gekko op het been van Camera Cor, die in een reflex het arme beestje door de lucht liet vliegen. Iedereen slaat om zich heen en vervloekt de steekmuggen. We gaan naar huis; nog niet één keer hebben we overdag in onze eigen achtertuinoceaan gedoken. Onze witte Nissans kiezen niet helemaal een rechtstreekse weg, terwijl mijn oren toch wel heel graag naar huis willen. Thuis is er even een gedoe met flessen, voor de zoveelste keer heeft de duikflesverhuurder ons een fles meegegeven die niet in orde is. Duikman kan niet eens duiken, of heeft er ieder geval tabak van. Ik ga met Maria naar het zwembad, dat aan de overkant van ons straatje ligt. Onze huisbaas had verteld dat het een mineralenzwembad is; heel goed voor je huid. Ik besluit dat dat water vast heilzaam voor mijn oren is. Het water is lekker en we zwemmen heen en weer en heen en weer en heen en weer. Het houdt maar niet op. Uiteindelijk vraag ik Maria of het nu een keer klaar is en keren we terug. Er is weer gekokkereld, onder anderen door een zwetende Jan boven de hete gaspitten. Met ingrediënten uit potten; hier op Bonaire is de kans op scheurbuik zeker aanwezig. Niet zo zeuren, zegt de rest en ik krijg een kwak op mijn bord. Het smaakt prima en we tafelen nog even na. Ted en Piloot gaan even lopen en ik zit hier nu tussen mijn vijftigplusgroep waarvan de helft leest en de helft op de ligstoelen ligt te snurken. En ik schrijf.

Duikvakantie Bonaire - dag 7
Natuurpark Washington Slagbaai. Daar gaan we heen. Daar werden vroeger de geiten heengedreven, geslacht en gepekeld, en dan morsdood op het schip naar Curaçao vervoerd. We hebben de koelbox weer vol met niet al te eerlijk verdeeld brood, en water. Maar eerst maken we een stop bij de duikflesverhuur met die puddingvullers. De O-ringen zijn prut. De mevrouw zegt dat ze er niets aan kan doen, maar mij vinden van wel. Met heel veel hopelijk goede flessen vertrekken we weer. 't Is een flinke rit. We moeten ons bij de ingang naar het natuurgebied legitimeren en onze Stinapa-duikpas laten zien. Ik kijk even snel bij een skelet van een walvisjong en in het museum. Ik lees over de geschiedenis van Bonaire. Twee soorten Indianen leefden er, met de eerste tekenen van leven een paar eeuwen voor het jaar nul. In de Middeleeuwen kwamen die nare witte mensen. Eerst de Spanjaarden, toen de Nederlanders totdat de West Indische Compagnie failliet ging, toen de Britten en Fransen en tenslotte weer de Nederlanders. Ze brachten allemaal regelmatig niet-inheemse dieren mee, en dat heeft veel van het originele ecosysteem verstoord. Dit land ziet er overigens niet uit alsof er veel dieren zouden kunnen leven. Het is dor, hard, zout en met weinig variatie in de vegetatie. Oftewel: cactussen zo ver het oog reikt. Er is maar één dier op het hele eiland echt inheems, lees ik, en dat is de vleermuis. Duikers zijn ook niet inheems, het duiken is hier dankzij ene Captain Don vanaf 1966 langzaam in opkomst gekomen. We rijden door het park. Eerst over een paar goede wegen, daarna worden de wegen slechter en komen we bijna niemand meer tegen. Jongens, wat een cactussen! Candle cacti worden ze genoemd. Als ze heel groot worden lijken ze wel op een boom, met een houtige onderstam. Op sommige vlaktes groeien ook veel groene struiken. Bomen zijn hier niet. Hier en daar een geit en hier en daar een hagedis. We stoppen af en toe bij een mooi punt. Bijvoorbeeld bij een kleine canyon waar de zee binnen komt. Of bij een ruïne. De zee op de achtergrond maakt alles mooi. Een groot stuk van het park lijkt wel op een landschap uit een science fiction film, met grillige steenvormen, weidse uitzichten, donkere kleuren en een beetje unheimische sfeer. En met hitte. Gelukkig ook, als we dichter bij de oceaan komen, met een windje. Flamingo’s aan de ene kant, in een soort brak binnenmeer, en de oceaan aan de andere kant. En hier en daar een picknickbank met een schaduwdakje van gedroogde palmbladeren. Dit moet ‘m worden, duikstek Playa Funchi - in het natuurpark. We werken onze boterhammen naar binnen en de duikers kleden zich om. Ik speel ondertussen met een flinke leguaan. Hij vindt dat hij recht heeft op mijn brood met sla en gisteren zei ik nog dat ze herbivoor zijn en ongevaarlijk maar auw, nu krast de lomperd met al zijn scherpe tenen op mijn blote been en alweer auw, hij bijt door de huid van mijn vinger. Met zijn scherpe gemene tandjes. Met mijn vinger in mijn mond zie ik de duikers het koele water inglijden. Marijke, Duikman en ik trekken onze wandelschoenen aan en gaan op pad. Ik moet het duiken even uit mijn hoofd zetten, want ik ben echt niet meer ziek, maar mijn oren hebben het nog steeds moeilijk. Eerst balanceren over een muur om een stukje hoger te komen. Dan naar links om ver over het water uit te kunnen kijken, mooi. We zwaaien naar de duikers ver onder ons, net voor ze onder water gaan. Het is hier rotsig en stenig. Toch groeien hier wel struiken en struikjes. Cactus nog aan toe! Marijke schopt tegen een stuk prikflora op de grond. Die zit nu in 4 stukken in haar schoen. Ze probeert ze eruit te trekken, maar er zitten een aantal hardnekkige naalden tussen. We gaan even terug naar de auto; we zijn toch ook onze fles water vergeten. En bovendien, ik moet even de zee in. Ik heb vlooien. Gekregen van de bijterige leguaan, leren stuk schorriemorrie. Snel even m’n duikschoenen aan en ik stommel over de stenen de zee in. O, wat is dat water heerlijk en lekker en prettig en koel en fijn. Maar we hebben wandelplannen. Dus dat gaan we doen. Duikman heeft geprobeerd een cactusstekel uit Marijke’s teen te verwijderen, maar die brak af. Die stekel, niet haar teen. Maar ze kan nog wel lopen. Nu gaan we naar rechts, om te proberen bij de flamingo’s te komen. Renhagedissen schieten alle kanten op. We ontdekken een derde cactussoort, mooie ronde, met soms een gekleurd dakje. Voor ons steekt een geit over, maar wij verlaten het pad. We klauteren onder takken en cactussen door. De stenen prikken net zo als de doornige struiken en de cactusnaalden. Kijk, roept Duikman, een bok. Ik zag hem niet. Marijke roept dat ze hem wel zag, maar ook ruikt. Duikman ook. Ik zou hier tussen de cactussen ook best graag een bok willen ruiken, maar mijn KNO-gebied is nog bezet. Jammer. Als we helemaal om het meer willen lopen zou dat niet eens zo heel ver zijn. Maar de zon maakt alle afstanden hier tien keer groter. Dus bekijken we de flamingo’s vanaf deze oever en zien ze aan de overkant mooi rose staan te wezen. Ze staan daar maar op hun ene poot. Een paar geven een korte vliegshow. Een kleine Bonairse strandplevier zoekt iets te eten. Verder staan hier cactussen. En is er niets te doen, maar dat is juist heel zen. We klauteren terug naar het pad. Duikman heeft nu ook twee kleine cactussen in zijn schoen. Ik maak wat meer vaart. Ik moet nodig snorkelen. Bij de pick-ups pak ik snel mijn spullen en laat me ploffen in het blauwe nat. Ik kan bijna geen spuugje meer produceren om mijn duikbril mee in te wrijven en trek onder water mijn duikvinnen aan. Er is hier een prachtig snorkelrif. Tegen de hete zon, die je huid ook onder water rood kan laten kleuren, draag ik mijn langemouwensnorkelshirt. De vissen maakt dat niets uit, ze zijn lekker bezig hieronder. Tussen de rotsen zit een mooie grote oranje vis, maar ik kan hem niet goed zien. Ik maak maar geen hoekduikjes vandaag. Ik scoor wel een heel team nieuwe zwarte vissen met heel slappe vinnen boven en onder, en een grote bijna ronde vis met mooie ogen. Ik wil steeds onthouden wat ik gezien heb en dan later opzoeken wat voor beest het is. Maar dat valt nog niet mee met al dat moois dat hier in de zee woont. Nu moeten we nog zien uit het natuurpark te komen. De wagens botsen over de stofwegen, het grind en af en toe een plaat beton. De wegen zitten vol bochten, maar ook vol gaten. De flessen klapperen achterin de bak. Ook ik als achterpassagier stuiter door de auto. Net als Jan naast mij en Sandra en Marijke in de andere auto. Chauffeurs Duikman en Piloot kan ik gewoon zien grijnzen zonder dat ik hun gezichten zie. Bijrijder Ted ook, en ook Camera Cor, maar die moet ondertussen wel zijn tas met cameratoestand als in een hangmat tussen zijn benen houden. Het is maar goed dat we niet meer met z’n drieën achterin zitten, omdat Don Corleone en Maria in hun eigen Jeep op pad zijn, anders zouden we met de koppen tegen elkaar klappen. Mijn nieren drijven los in mijn ingewanden. Het goede nieuws is dat mijn rechteroor geen pijn meer doet. Het slechte nieuws laat zich raden. Wat een helletocht is dit. Het duurt maar en het duurt maar. Ik word autoziek en verga van de oorpijn. Ik voel me zwaar #^*@ , op deze eindeloze vakantie in dit godvergeten hete cactusland met natuurparken met bijtende hagediskrengen en als enige levende natuur stinkende bokken en kwijlende ezels, in deze kontfortabele hotseknotshuurauto op deze putwegen langs lauwe zoutzeeën met moordlustige oorbacteriën. Twee paracetamols verder meen ik natuurlijk niks van het bovenstaande. Ik spoel mijn oren in het bejaardenzwembad aan de overkant. Ik plonsde er met een sprong in, het bad is 1,80 diep, waarop de lezende mensen op de ligstoelen rondom het bad verstoord opkeken. De leguanenpoep die gisteren op de kant lag is gelukkig opgeruimd. Ik schud mijn hoofd zacht onder water en poedel wat heen en weer. We eten goedkope diepvriespizza’s waarvan de eerste lading te hard wordt omdat de kookwekker niet goed kookwekt. Misschien is er op het Bonairs feestje dat nu in Kralendijk aan de gang is nog wat lekkers te krijgen. We gaan er kijken. Er is een marktje en er is een podium met muziek. Het doet precies aan als een dorpsfeest. We zien weinig echte locals, wel veel witte mensen. We gaan ergens wat drinken, maar na één rondje zijn we klaar. In onze Sunset Villa, op onze lievelingsplek aan het water is er keuze uit een spelletje Tiki Toss, Klaverjassen of lezen. Slapen mag ook.

Duikvakantie Bonaire - dag 8
De branding is veel sterker dan hij in de verte leek. Vanaf de kant was bovendien niet in te schatten dat het stuk lopen over de lastige rotsen met zware uitrusting twintig minuten zou duren. In lang pak, in de immer enthousiaste evenaarszon. Vier van onze OWSVD-mannen en vrouwen hebben de tocht volbracht en zijn onder water verdwenen. Het water is hier in het begin donker en troebel. Hopelijk later beter. Camera Cor is nog onderweg: hij ploegt voort in zijn eigen tempo, daarbij zijn zware camera met zich meetorsend. Maar dan opeens verkeert ons dapper duikertje Sandra in nood. Ze is een stuk vooruit gelopen, heeft het zo heet dat ze zich verderop in het water wil laten zakken. Ze is niet zo lang; en misschien is het daarom dat ze zich niet goed staande kan houden en de branding haar omver gooit. Terwijl je je hier nog niet kunt laten drijven, omdat het te ondiep is en er te veel harde rotsen zijn, waar de witte golven haar meedogenloos tegenaan beuken. Ze heeft haar vinnen onder haar arm met haar camera, en ligt met haar gezicht in het schuimende zeewater. Haar benen en armen maaien om rechtop te komen, ze heeft haar ademautomaat nog niet in. Net voordat ze het niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk benauwd krijgt lukt het haar net om in ieder geval op haar zij te draaien. Door de golven schuurt ze steeds ruw tegen de harde stenen. Ze slaat met haar vlakke arm op het water. Snorkelaar Marijke, gelukkig meegelopen om te helpen, loopt bij Camera Cor en kan Sandra door het witte schuim niet zien. Maar ze hoort wel wat, en als de branding net wat ruimte geeft ziet ze dat er iemand hulp nodig heeft. Over de lastige ondergrond, en met de branding die ook aan haar lichaam trekt duurt het even voordat ze er is, maar dan lukt het haar om Sandra overeind te krijgen. Even uithijgen, spullen nog een keer goed vastzetten en daarna gaan Camera Cor en Sandra, elkaar vasthoudend, nog een keer proberen om door de branding te ploeteren. Maar het lukt echt niet, Sandra ziet het niet meer zitten en gelukkig besluiten ze om te stoppen. Ze is hier en daar beurs en de gaten zitten in haar pak. Camera Cor mankeert niets, dat is een ouwe rot en die heeft wel vaker met ruwe zeeën te maken gehad. Nu alleen nog de twintig minuten weer terug klauteren over de stenen. De andere vier duikers komen ook heelhuids, nat en bezweet weer bij de flessenauto. Het water was minder bruin dan het aanvankelijk leek en het werd een prima duik. Vooral omdat alle vissen een slag groter waren dan op de andere duikstekken. En bovendien kwam er een adelaarsrog voorbij, met een schildpad in één view, het moet toch niet gekker worden. En voort gaat het weer, naar de volgende duik. Heel even rijdt een deel langs huis. Sandra heeft nog maar één contactlens, en hier thuis gelukkig nog wat op reserve. Ik luister naar hun verhalen en schrijf het op. ’s Middags duiken ze bij de rode slavenhuisjes. Maar ik heb een verplichte rustdag. Te veel oorpijn. Duikman heeft me verboden onder water te gaan. Ik zwem alleen af en toe een paar rondjes in het bejaardenzwembad, waar ik vandaag goed bij pas. Ik vul de wasmachine en ik haal hem leeg. Ik was voor 6 mensen. Er zijn verrassend weinig onderbroeken bij. Niet dat ik gek ben op onderbroekjes, maar hier loop je eigenlijk de hele dag in je zwembroekje, die ’s ochtends vaak nog niet eens weer droog is. Ik verveel me. Mijn bikini is gestolen. Die ben ik al 5 dagen kwijt. Zo had ik hem nog en zo was hij weg. Flatsch! Wat was dat? Een paar meter voor mij valt iets uit de hemel. Snel sta ik op. Het is een visarend! Hij prikt met zijn kromme snavel tussen zijn poten, ziet mij en vliegt met lawaaiige vleugelslagen, zijn veren een beetje krullend en nat, weg. Met zijn prooi, een lichtblauwe vis, stevig in zijn klauwen. Ha, daar zijn ze weer. Gedoken bij de rode slavenhuisjes. (Chogogo heet het daar.) Het leek daaronder of de bodem bruusk door een vissersboot of iets anders fors beschadigd was. Maar er waren wel schildpadden, die net als de duikers in een groep van zes lui sloom door het water flapperden. De Bonairs-Indische vrouwen zijn de beste koks van het hele eiland. Omdat Sandra iets voor onze verhuurder op een beurs heeft gedaan krijgen wij als dank een Indische rijsttafel op ons eigen terras. Gemaakt door deze dames, die een druk cateringbedrijfje runnen. Het is werkelijk niet te geloven zo lekker. Al die verschillende geurende kruiden, al die schaaltjes met lekkers, en zie ik daar nu groene boontjes? Goed voor mijn scheurbuik. In de keuken kreeg ik voor het eten de zelfgemaakt sambal te proeven. Ik durfde niet te weigeren en kreeg een halve eetlepel, waar ik dapper een slokje van nam. De smaak was bijzonder lekker, niet te vergelijken met sambal uit een potje, maar ik moest daarna wel een kwartier hoesten en tranen. Gelukkig kreeg ik een suikerklontje; het enige dat de brand kan blussen, volgens deze experts. Maar allemachtig wat een heerlijke maaltijd. En we hoeven ook niet eens af te wassen. Als ik wat naar de keuken wil brengen wordt dat gewoon uit mijn handen genomen. Het kokosijs en het mangoijs is ook al zo goddelijk lekker. Eindelijk zijn we stil.

Duikvakantie Bonaire - dag 9
De doorgang is smal en af en toe zit er een buddypaar vast. Ze moeten dan even achteruit en dan weer recht vooruit. Recht is bij deze sport het sleutelwoord. Van de gids mogen we de wortels wel vastpakken en gebruiken om ons even voort te trekken, maar niet onder water, daar zijn de wortels begroeid met koraaltjes en algen en dus met belangrijk voedsel voor alle kindervisjes die hier opgroeien. We zijn in het mangrovebos van Bonaire. Het is een internationaal erkend en beschermd natuurgebied, maar met een gids mogen we erin. Elk buddypaar zit in een kano. We luisteren naar de gids en peddelen lekker met z’n allen langs de bijzondere gebogen wortels. Behalve ik, want ik experimenteer met mijn waterdichte iPhone-hoesje (het zal wel resulteren in wat wazige foto’s. Maar beter iets dan niets.) Ik hoef ook niet te peddelen, want mijn buddy kan in z’n eentje net zo hard als de andere boten met twee peddelaars. Ik laat Popeye Duikman even lekker uitrazen. Ik vind dat mijn groep wel een beetje veel lawaai maakt en tegen elkaar botst en spettert met de peddels. Er zijn ook nog twee andere echtparen mee, die hoor je niet. Maar in deze mooie donkere tunnel van mangroven gaat het beter. Het is ook wel om stil van te worden. Drie soorten mangroven zijn er in Bonaire. De witte, de zwarte en de rode. Je ziet alleen maar de rode mangrove, en de vreemde wortels, als kromme nagels van een roofvogel die niet nat wil worden, zijn inderdaad donkerbruinrood gekleurd. De wortels zijn speciaal zo ontworpen dat ze boven de waterspiegel kunnen ademen en onder de waterspiegel het zoute water via omgekeerde osmose kunnen omzetten naar zoet water. Waterdeskundigen Jan en Duikman knikken begrijpend. Kijk, de gids wijst in het water dat steeds meer helder wordt; daar zijn de kwalletjes. Upside down jellyfish heten ze, of mangrovekwal. Het lijkt inderdaad of ze op hun rug liggen. Dat ze hier zijn is niet bijzonder, dat we er een zien zwemmen wel. Hier tussen de mangroven komen veel vissen hun eieren afzetten. En inderdaad, we zien duizenden kleine visjes in scholen onder onze gekleurde bootjes zwemmen. Als ze groot worden verlaten ze het waterbos, dan willen ze de weide wereld in. Gemene rovers weten dat en liggen met hun puntige tanden te wachten bij de overgang van deze baai naar de open zee. Van elke tienduizend eitjes waar een visje in opgerold zit, komt er slechts eentje als jongvolwassen vis in de zee terecht. De rest is weer voedsel voor een andere vis of beest. Schildpadden komen hier ook, want hier groeit schildpaddengras. Daar smullen ze van. De gids vertelt van alles over de bijzondere manier waarop er zich nieuwe bomen ontwikkelen en over het leven onder water. Er beweegt wat, hoog in de takken - een rat! Ook geen inheems dier, maar ooit via een schip per onbedoelde post hierheen gekomen. Eerder had de gids ook grote schelpen laten zien, van die puntige joekels die, als ze volwassen zijn, grote puntige uitsteeksels hebben. Vroeger waren daar heel veel van, nu niet meer en ze hebben inmiddels uiteraard een beschermde status. Des te indrukwekkender is het dat er bij een duikstek, die we net ook heel even konden zien in de verte, twee grote bergen vol met deze schelpen liggen. De bergen liggen er al tientallen jaren. Het hoe en waar is ons niet duidelijk. Gisteren had Marijke bij het snorkelen een volwassen exemplaar van zo’n geweldige schelp gevonden, met levend schelpdier. Een speciale vondst, blijkt nu. We varen soms door een breder stuk, dan weer door een smal stuk. De bomen lijken elkaar te verdringen om ons heen. Vooral zo’n smal stuk, waar de boomtakken zich boven onze hoofden sluiten, geeft een heel bijzonder effect. Mooi om hier zo samen te zijn. Je hoort alleen het geluid van het water dat van onze peddels drupt. Er komt licht aan het einde van de mangrovetunnel en opeens zijn we in de baai. De lucht is bewolkt, maar dat vinden we bepaald niet erg. In de verte gaat de baai over in de open zee. We kunnen ergens ver weg aan de rechterkant van de kom ook de witschuimende woeste branding zien, die onze duikers gisteren hebben getrotseerd. En sommige bijna. Duikman Popeye en Piloot Peddel in de andere boot moeten even hun energie kwijt. Tempo Ted en ik, beide vooraan in onze boot, ook. De eerste wedstrijd is een feit. Onze kano’s strijden en glijden zij aan zij door het water. Het gaat gelijk op en het wordt een fotofinish. We lachen en hijgen helemaal niet hoor. Ik voel me super. Ik heb vannacht van Marijke een combinatie van een paracetamol en een roze pil gekregen. Goed spul was dat. Duikman heeft voordat we weggingen nog een beetje zelfgebrouwen oordruppels in mijn pijnlijke gehoorgangen laten vallen. Vandaag lijkt het echt een stuk beter te gaan. We mogen snorkelen. De duikgids zal op de boten passen, want het stroomt hier wel een beetje. Soepel of lomp laten we ons uit de kano’s glijden. We hebben geen vinnen mee; die mogen hier niet gebruikt worden. Je moet eigenlijk zo veel mogelijk met je armen zwemmen - weer ’es wat anders - en ieder geval nergens gaat staan. Als we beginnen is er inderdaad veel zand en stof maar na tien meter zien we onder water de kleine vissen friemelen, en verstopt tussen de wortels de grotere red snappers, sommige zo groot als je onderarm. Er hangt één vlak bij me en die heeft inderdaad een beetje een rode kop, maar ik weet niet of ze daarom zo heten, het zijn gewoon witte saaie vissen. Maar wel mooi om ze hier te zien tussen de bruinrode wortels. Af en toe zie ik wat gestreepte visjes. Het water is heerlijk lauwwarm. Het valt nog niet mee om af en toe even stil te blijven hangen als je iets wilt bekijken, zonder de bodem aan te raken en zonder vinnen. Af en toe dobberen we onhandig tegen elkaar aan. Het doet hier een beetje denken aan een mooi Nederlands meer, met dat in het begin donkere water, en al die bomen. Maar het water dat ik in mijn mond krijg is zo zout als de zee. Als we terugzwemmen naar de kano’s hebben we de stroming tegen. Ik kijk een beetje omhoog, net onder de waterspiegel en zie daar een orkest trompetvisjes trillend in de stroming hangen, met hun lange zilveren lichaampjes. Of zeenaalden, misschien zijn het dat. We moeten weer in de boot; je moet een ondiep stuk opzoeken en dan eerst je achterwerk in de boot wippen. En dan weer achter de gids aan en gezellig peddelend genieten van het vlakke water, de vissen die met ons mee zwemmen, en de boomwortels en takken die ons in de gaten houden. Een betoverend sfeertje dat helaas wordt verstoord omdat Tempo Ted zich opeens luid afvraagt hoeveel kippeneieren we nog hebben thuis. Van alle kanten wordt er geantwoord en gaat het gesprek op eens over lunch, spek en eieren bakken. Stelletje mangrovebarbaren. We zijn er bijna. Duikman Popeye peddelt en ik leg mijn peddel aan de rechterkant van de boot. Ik denk dat ik even op mijn buik voorop ga liggen. Ik kan natuurlijk niet half gaan staan in de kano, want dan worden we wel heel erg instabiel. Ik duw me een stukje omhoog met mijn beide handen op de rand van de kano. De rechterkant is onverwacht glad, mijn hand schiet eraf - mijn bovenlichaam erachteraan, de boot helt ook naar rechts en onhoudbaar val ik overboord, tot mijn verbazing gevolgd door Popeye die met veel geweld en maaiende armen bijna boven op mij valt. Als hij weer boven komt komt er stoom uit zijn pijpje. Waar ik nou toch weer mee bezig ben, blaast hij. De rest vindt het wel om te lachen en stuurt naar ons toe. We hebben al onze spullen nog en gelukkig alleen mijn oude zonnebril is onvindbaar gezonken. Piloot helpt en stuurt zijn boot naast die van ons, zodat ik wat gemakkelijker in onze kano kan komen. Zo, dat was dat en ik hervat mijn plan en ga het laatste stukje nog even lekker voor op de punt liggen. Vroeg op pad zijn, kanovaren en zwemmen maakt inderdaad hongerig. De eieren van Piloot smaken heerlijk. Daarna krijg ik schrijftijd en gaan anderen voor het huis een duik maken, lezen of snorkelen. Vanuit mijn buitenkantoor hoor ik aan het gehinnik dat er in ieder geval een zeepaard is gespot. Vanaf het terras zien we opeens twee keer een school vliegende vissen vliegen. Of zijn het springende vissen? Het ziet eruit als ketsende stenen en alsof de vissen wel vijf meter over het water stuiteren; wat een gek gezicht. Ook de visarend komt nog een keer voorbij, 't is een prachtig beest. Gelukkig hebben we vandaag ook een familie Flamingo’s van dichtbij gezien en ik maakte er een filmpje van waarbij ook hun geroep mooi te horen was. Behalve dan dat de mannen in mijn auto zich onmogelijk stil konden houden. Op het pad van ons huis loopt alweer zo’n ijverig heremetietkreeftje met zo’n puntige Madonnaschelp. Snel pak ik mijn camera, want ik spot een fladderend kolibrietje met zijn snavelrietje in een bloemkelk. Schattig beestje, maar hij laat zich moeilijk vastleggen. Maria zit ook al dagen achter hem aan. Nu niet, nu kookt ze verse nasi met goed veel anti-scheurbuik groente en de restjes van gisteren. Zeer smakelijk. Zes duikers op tarpanjacht. Ik zie de fel witblauwe vlekken van hun duiklampen glinsteren in het water. Gelukkig komen ze steeds dichterbij; ik ben benieuwd hoe het is en kan bijna niet wachten tot ze terugkomen. Sandra is nu voor het eerst ook mee - ze was van tevoren erg huiverig voor die enge beesten in het duister. Ik trek mijn duiklaarsjes aan en ga in het water staan. O, wat duurt dat lang. Ik heb een raar mosgroen fladderjurkje aan, maar die gooi ik toch weg en ik ga keurig gekleed even lekker zwemmen. Heerlijk dat water. Ik heb een grote spaghettidrijfsliert mee en fiets met mijn voeten naar de duiklampen toe. Ik had verwacht dat ik wel een tarpon zou zien, de spectaculaire Silver King, jagend in het licht van de duiklampen, net als eerdere keren, maar ik zie alleen duiklichamen, jammer. Ik heb geen duikbril mee, omdat mijn oren droogarrest hebben. Morgen ga ik weer proberen te duiken. Ik drijf maar wat en hang rond op mijn sliert, te balen dat ik niet mee kon. Ik vraag me af of er steeds ongedierte onder mijn jurkje kruipt want af en toe voel ik een klein prikje. Zelfs in mijn bh. Of is dat het zoute zeewater in kleine wondjes of krasjes. We zitten allemaal zo’n beetje onder de wondjes, schaafplekken en bulten - al dan niet van een mug. Nu ik hier zo dobber voel ik me opeens kwetsbaar. In m’n eentje een stuk van huis, in het donker en in een zee vol geheimen. Als een woeste roofvis mijn melkflessen maar niet voor een sappig hapje aan ziet. Ik fiets maar vast weer een stukje richting de kant. Het duurt lang voordat de duikers eindelijk klaar zijn, Piloot heeft er als eerste tabak van. Er zijn deze keer maar 2 tarpons. Duikman en Camera Cor komen wel weer met allerlei superlatieven uit het water. Machtig! Zag je die kop! Hij raakte me! Ik sta samen met hen in het ondiepe water vlak voor ons huis en zie opeens groenige trompetvisjes van een centimeter of 25. Ik ga er met mijn hand naar toe en het lukt me twee keer om er een te pakken, die dan met een sprong boven het water uit springt. Ze vinden dat niet erg, want ze blijven steeds terugkomen. Duikman probeert het ook en de vis springt flaps op het masker van Cor, blijft even kleven en trompettert dan het water in. Sandra is met Ted ook weer boven en het ging best goed. De tarpon-nieuweling dacht aanvankelijk steeds: waarom doe ik dit, waarom doe ik dit! Maar ze vond de beesten toch mooi en indrukwekkend, als ze tenminste niet achter haar rug zwommen, dan vertrouwde ze de boel niet. Sandra en Ted hadden trouwens niet alleen doorzichtige aaltjes gezien die in hun handen zwommen, maar ook een octopus, gaaf. Wel gemeen dat Camera Cor Sandra stiekem aan een vin trok terwijl ze het niet verwachtte, ze had hem bijna een beuk gegeven verklaarde ze. Daar kan hij wel tegen, tenslotte had Duikman hem al een paar keer geschopt tijdens het gedoe en gedraai met die jagende vissen. Coole Cor haalt in dat geval zijn schouders op, zet zijn flitsers weer recht en gaat gewoon verder. Ze hebben zó lang gedoken dat Duikman zijn fles niet dicht hoeft te draaien als hij zijn ademset loskoppelt. Pfffft, zeg de fles loom en is dan zo leeg als nul bar. Nu lekker even douchen, dat prikkerige gevoel van mijn huid afspoelen. Dat lukt niet goed en opeens zie ik hoe mijn armen eruit zien! Grote plekken met rode bulten. Ook een paar onder mijn borsten. Mijn huid is geneteld door netelende zeedieren. Onderwaterschurkerij! Ted beveelt azijn aan en ik pak de fles en een lapje.

Duikvakantie Bonaire - dag 10
De speciale oordoppen laten wel geluid door, maar geen water; stond op de gebruiksaanwijzing. Beide zijn een beetje waar. Ik zit in de deuropening van de pick-up en wring me in mijn duikpak. Mijn armen branden en hebben nog dikke rode vlekken, omdat ik gisteren in het donker in de zee door een of ander geniepig beest geneteld ben. Ja, dat kon wel kloppen, zei vanochtend de duikflesvulmevrouw, het is immers volle maan. Misschien was het een Jelly Box, alhoewel je er dan meestal slechter aan toe bent, zegt ze. En als je allergisch bent ben je in een kwartier dood. Nou, lekker dan. Ik denk dat ik voorlopig maar altijd in m’n lange pak te water ga. Ik hoor nu ook dat niet alleen zeeslangen, maar ook schorpioenvissen en steenvissen giftig zijn. Maar de nacht laat ook leuke verschijnselen zien. Niet alleen de machtige Silver King, waar wij al een paar keer mee op jacht zijn geweest, maar ook dit: vijf dagen na volle maan komen de ostracods. Precies drie kwartier na zonsondergang en ze zijn er maar twintig minuten. Ze geven heel bijzonder licht, nog maar één keer in de wereld op film vastgelegd. Straks maar eens opzoeken hoe dat precies zit en wat voor kleine beestjes dat zijn. Ik ben een beetje autoziek. Het was zonet weer een hotseknotsrit over een weg die niemand kan vinden, langs de raffinaderij over een stofweg waar de sprinthagedissen er een sport van maken om voor je wielen nog even plagerig naar de overkant te rennen. Camera Cor had zijn tas met apparatuur alweer in de off-road-stand staan, hij zet hem dan op zijn voeten om de hardste klappen op te vangen. Toen de weg op z’n slechts was ben ik even uitgestapt om een stukje te lopen, dat ging net zo snel en ik kon mijn maag weer een beetje in zijn oude plek laten zakken. Ik ben ook misselijk omdat ik het spannend vind om hier te duiken. Een beetje vanwege mijn ongestelde oren, maar vooral omdat de zee hier stoer loopt te doen. Hij is donkerder in de verte, het waait - nu wel lekker vanwege de Bonairse warmte - maar de wind maakt ook golfjes. Golven. Deining. Drukte. En dit is eigenlijk helemaal geen duikstek, de chauffeurs zetten de stugge Nissans gewoon op het koraal en doen de klep van de laadbak open. Het hobbelige strand bestaat niet uit zand, maar over het hele eiland uit een miljoen kilo dood koraal. We moeten een stukje naar beneden om bij het water te komen. Het water klotst en duwt, maar ik weet ook wel dat dit lang niet zo erg is als aan de oostkant van het eiland, en eigenlijk is het enige lastige het aantrekken van je vinnen. We slingeren heen en weer, maar vallen niet. Iedereen houdt elkaar vast en dan wijst Duikman met zijn duim naar beneden; we gaan. De golven zijn de baas. Je hebt geen andere keus dan op en neer en op en neer mee te gaan met de deining en te klapperen met je vinnen, en dan druk je op de witte knop van je slurfje om de lucht uit je duikvest te blazen. Het gewicht van je fles en de loodblokken die je aan een gordel om je heupen hebt hangen nemen je mee naar beneden. De weg omlaag voelt hier net zo hotseknotserig als de autocht, maar dat is heel snel voorbij. Al na een meter of vier is de deining bijna verdwenen. Je voelt dat er nog wel wat aan je getrokken wordt, maar dat is iets dieper ook bijna weg. Ik kijk om me heen. Prachtig. Duikman kijkt ook met grote ogen. Dit is een onderaards paradijs. Dit is een heuvel die al het waterleven voor ons uitgestald heeft als in een museum. Of als een bloemencorso, maar dan met heel grote vormen. Het is een kleurige compositie van alle koralen, algen, sponzen, wieren en zeeplanten die er wat mij betreft bestaan. Ik som ze maar allemaal op; ik kan niet aanwijzen wat wat is. Hier gaat het niet om de vissen, maar om de supermooie bekleding van de zeehelling, oftewel het rif. Hier zijn geen kleine bloemstukjes van rots, koraal en groei en bloei, nee, hier is alles groot en weelderig. Grote kleden koraal liggen uitgestald op ronde of ovale ondergrond, of vierkant, met een doolhofpatroon, of ook mooi, vooral in ronde vorm: als hersenen. De zee denkt. De zee laat de zachte onderdelen wuiven in paars, groen, bruin, geel en rood. De zee stuurt de vissen tussen de grote en kleine openingen en laat voedsel groeien waar het kan. Ik roep: mooi! in mijn ademautomaat en Duikman knikt. Hij vraagt of mijn oren oké zijn en ja, mijn oren houden zich perfect. Na twee dagen droogte-arrest lijkt het nu weer goed te gaan. We zien een murene, een schuwe slangachtige vis, en verder alle kleuren vissen die zin hebben om zich te laten zien. Ik denk dat tachtig procent van het zeeleven zich hier lekker schuil voor ons houdt. Ik roep door mijn automaat: Ik zoek een zeepaardje! Ja, knikt Duikman en we zoeken en zoeken. Heel vaak klaar ik mijn oren. Ik hoor het luchtbelletje piepen als mijn eustachiusbuisje heel even open gaat. Het doet een beetje pijn, maar verder gaat het goed. Ik hield het vest van Duikman eerst vast, maar nu duik ik los en alleen en zelf en solo. Behalve dan dat de lamp die Duikman mij gegeven heeft, aan zijn vest vastzit. De slimmerd. We schijnen in allerlei holletjes. Vóór ons is een puntige grote vorm, het lijkt wel een huisje. Kabouter Prikkeprak! zeg ik tegen mijn buddy. Hij knikt heftig en verstaat alles. Handig is dat. Zeeeeeeeee-paardje-paardje-paardje roep ik overal. Nergens galoppeert iets. Jammer. Maar er zijn genoeg andere dieren. Ik laat Duikman los en hij strekt meteen zijn arm naar mij uit. Ik duw hem weg, ik ga nu alleen duiken. Ik ben helemaal verliefd op deze loodgordel. Hij heeft twee ruwe grote bonken lood, en die heb ik vlak bij de gesp geschoven. Ze bungelen heerlijk tussen mijn heupen. Ik heb één fles op mijn rug in plaats van de twee kleine waar ik altijd mee duik en voor mijn doen ben ik zo stabiel als een kip op stok. Ik maak maar een paar keer slagzij en heb nog bijna geen zeeleven per ongeluk aangeraakt of geschopt. Het gaat heerlijk, lekker zelf duiken - al merk ik best dat Duikman mij nog geen twee meter achtenzestig van hem weg laat zwemmen. Af en toe kijk in in de verte boven ons en naast ons, ik hoop altijd op een groot beest. Ik kijk ook onder me, naar de oneindigheid van de heuvel. Dat vind ik erg griezelig; wat als er iets is met je vest of zo, dan rol je zo van die heuvel naar beneden, droom ik altijd. Boven water heb ik weinig hoogtevrees, hier des te meer. Dieptevrees, kun je beter zeggen. Ik krijg het er warm van. Maar ik kijk wel, want ik wil er aan wennen; een beetje stoerder tegen kunnen. We zwemmen weer een stuk verder en ik trek aan de hals van mijn pak om koel water binnen te laten. Mijn netelarmen gloeien. We gaan weer wat naar boven en richting de instap. En opeens zijn alle zeven duikers weer bij elkaar. Da’s gezellig, als team een beetje rondpoedelen. Iedereen gebruikt elke minuut om elke vierkante meter van de bodem te bekijken. De golven nemen ons elke vier seconden mee naar het koraalstrand en als het nog maar een meter diep is gaan we voorzichtig staan. Een mega-geweldige duik. Dankjewel linker- en rechteroor en vooral dankjewel Ferry, mede OWSVD-duiker, dat je ons deze geheime duikstek gewezen hebt. In de zon, nog vol van de mooie duik, eten we onze koelboxlunch. Zelden heb ik zo’n lekker broodje uit een Hollands boterhamzakje gegeten. Dan gaat de tocht nog wat verder langs deze kust. We zoeken de duikstek Playa Frans. En vinden hem. Er staan een paar sjofele huisjes en er dobberen wat oude bootjes. ’t Is een verlaten en bepaald geen fotogenieke plek, maar de zee ligt er mooi bij. En dat is fijn, want dan kan Marijke ook snorkelen. Samen met mij, dan ben ik geen blok aan Duikmans been en kan hij ook wat dieper duiken en spaar ik mijn oren. Bovendien is snorkelen hartstikke gaaf. We pakken onze spullen en slaan wild om ons heen. We worden aangevallen door 300.000 vliegjes. Ik heb er niet zo’n last van, maar mannen worden daar helemaal gek van. En ze prikken niet eens. Ze vliegen wel je neus en oren en ogen in, het zijn heel vreemde beestjes. Kijk nou, twee jonge honden. Het zijn grote lichtgekleurde morsige magere puppy’s. Wat een schatje. Ik aai er een. De rest vindt de honden ook wel leuk, maar de vlooien niet. Volgens mij zijn het geen gewone vlooien, want deze vliegen ook een beetje. Ik schud ze van mijn armen af. Iedereen vlucht zonder duikspullen het water in. Ik fotografeer nog een kip en ga dan ook de zee in. Heerlijk. Een paar visarenden vliegen over ons heen. En aan de kant staat een ibis, of een witte reiger. We houden een waterfeestje. De duikers kunnen toch nog niet aan hun duiktocht beginnen; er moet immers een bepaalde tijd tussen twee duiken zitten, en die tijd hangt af van de dieptes van de duiken en hoe lang je duikt. We staan in het water alsof het een café is; gezellig. Maken wat foto’s en hangen wat rond. En drinken water uit onze meegebrachte flesjes. Als je hier niet genoeg drinkt én ook nog af en toe duikt dan krijgt je problemen. De duikers zijn weg. Marijke hangt het onderwaterleven al te bestuderen, haar pijpje steekt een stukje verderop het water uit. Ik ben aan het prutsen met mijn iPhone in mijn waterdichte hoesje. Het is een heel gedoe en lastig om met de volumeknoppen onder water foto’s te maken. Bovendien heb ik mijn vinnen vergeten dus moet ik weer uit het water. Ik zie hoe een van de puppy’s de sandalen en pet van Marijke bewaakt. Als ik terug ben werkt mijn telefoon niet meer en moet ik weer het droge opklauteren om hem even anders in het hoesje te doen. Als ik weer in het water lig zie ik een mooie vis, maar waarom kan ik hem niet bijhouden? Omdat nu alweer mijn vinnen bij de auto het laten liggen. Wat een gedoe. Als ik ze weer aan heb zie ik onder water een grote koffervis. Ik zwem naar hem toe met mijn telefooncamera voor me uit. Hij vindt dat gezellig. Het zijn heel grappige vissen. Ze hebben een onhandige staart, een veel te groot lichaam en pikzwarte grote ronde ogen. Ze lijken een beetje op Pet Shop speelgoedbeesten waar mijn kinderen vroeger mee speelden. Oók van die zogenaamd schattige gedrochten met veel te grote koppen en ogen. De koffervissen hebben een heel grappig mondje waarmee ze steeds de letter O oefenen. Mijn koffervisvriend draait zich weer naar me om en zwemt naar de camera, met mijn vingers daarom heen geklemd. Ik probeer foto’s te maken, maar het lukt niet goed. Hallo jongen, zeg ik door mijn masker. Nog dichterbij komt het beest en kijkt naar mijn roze vinger. Hij opent zijn mond en mijn vinger zou daar precies in passen. Dat zou niet erg zijn, want hij heeft ongetwijfeld een zacht bekje. Hap! Doet koffervriend. Auw! Ik schrik ervan en ga gauw boven water. Wat een scherpe tanden heeft dat beest, dat had ik niet verwacht. Mijn vinger bloedt. Nou ben ik alweer gebeten! Eerst door die leguaan, toen door gemene kwallen en nu door een vis. En de muskieten tel ik nog niet eens mee. Marijke staat ook versteld. Mijn vinger prikt in het zoute water. We gaan samen nog een keer op zoek naar het maffe beest. Ja, daar is hij en nu kan ik hem filmen, hopelijk lukt dat. Hij lijkt gewoon een beetje met ons te spelen, heel leuk en heel bijzonder. Er zijn nog meer vissen, en waar het dieper is zag Marijke een joekel van een barracuda, die haar nogal geniepig aan lag te kijken. Ik denk dat ik er ook nog een glimpje van opvang, maar dat is alles. Opeens zien we de grootste school vissen ooit. Het zijn er 398, lichtblauwe en zo groot als je uitgespreide hand. Ze wapperen als een heel lang spandoek door het water. Hier en daar zwemt er een heel andere vis stiekem tussen. Ze zwemmen een grote ronde en wij mogen aan de rand ook mee. Mooi! roepen we naar elkaar. We denken er net aan om weer richting kant te gaan als bij toverslag de 6 duikers weer allemaal boven water verschijnen. Ze hebben weer een prachtige duik gemaakt en Duikman vindt een sandaal in het water. Van Marijke! Hoe dat nou toch kan? Misschien die vlooienpuppy? We drinken water en ik haal de oordoppen uit mijn oren. Ik heb nog maar een klein beetje pijn, het gaat super. We kleden ons zo snel mogelijk om, de vliegjes zijn een ware plaag. Daarna volgt weer de wilde Daktari-rit en Duikman stuurt onze wagen nog een weggetje omhoog in. Hopelijk is dat niet ver om, want deze autoritten naar huis na een vermoeiende dag vind ik het minst leuke van de dag. Maar dit omweggetje is het mooie uitzichtpunt dat we nu zien wel waard. We stappen uit en maken foto’s. Mooi zoals Kralendijk daar onderaan de groene heuvels ligt, met de zee op de achtergrond. Ik typ deze laatste zinnen om middernacht. Mijn oren voelen nog wat zwaar, maar doen veel minder pijn dan in het begin. Naast mij ligt Duikman vredig te ronken. Iedereen heeft al rond 22.00 uur zijn koele nestje opgezocht, moe van het onderwatersporten. Het voelt alsof er overal vlooien over me heen lopen, maar ik beslis dat dat verbeelding is. Ik heb zalf van Zuster Maria gekregen voor op mijn armen, drupjes in mijn oren van Duikman en ik zet nu een punt; welterusten. Punt.

Duikvakantie Bonaire - dag 11
Voor de verandering rijden we naar de duikstek over asfalt en beton, op weg naar duikstek “Andrea 2”. Gemakkelijk te vinden, al staat er wel een auto in de weg. Er zijn al wat duikers geweest vandaag, maar die vertrekken allemaal. Behalve een gezellig drietal Scandinaviërs, met hun gezellige Zweedse kok taaltje. Ik trek mijn duikpak aan in het water, geleerd van Piloot. Piloot is er een van waarom moeilijk doen als het gemakkelijk kan. Nou, dat valt vies tegen. Je ledematen willen wel wat gemakkelijker in de pijpen glijden, maar de branding kiepert je de hele tijd om. Ik denk dat al dat zoute water gewoon goed is voor je KNO-gebied en ik rochel, worstel en kom boven. Als Duikman me geholpen heeft met mijn duikuitrusting en ik hem niet, gaan we te water. Mijn rechteroor doet het goed, links ook, maar vlak onder mijn linker oor doet het nu heel erg pijn. Ik voel er een grote bobbel, maar dat is vast verbeelding, ik ben immers alleen nog maar langzaam aan het dalen. Even rustig aan. Duikman kijkt mij bezorgd in de ogen. 't Is oké, gebaar ik en het gaat langzaam beter. Want het is hier mooi, hier in de Bonairse onderwaterwereld. Je kunt niet wennen aan al dat moois, maar toch ga je op zoek naar nog mooier, groter, of iets dat je nog niet gezien hebt. Ik zie nu een witte grote vorm drijven, drie meter boven de bodem. Het ziet er vreemd en duivels uit. Dat blijkt te kloppen, want het is plastic afval. Je ziet gewoon dat de zee er onder lijdt, zoals het afval daar star en ziek drijft. Andere kant op kijken maar. Het rif is hier ook heel erg mooi, en ik vind het fijn dat het heel langzaam glooiend afloopt. Ik hou niet van zo’n moordcliff onder water, waarvan je het einde niet eens kunt zien. Nee, dit is fijn. En de begroeiing is prachtig. Net zo mooi als gisteren, maar iets meer uit elkaar getrokken volgens Duikman. Opeens zwemt er een enorme trompetvis langs. Wat joekel!, toetert Duikman door zijn ademautomaat. Ja, zeg ik, het is een schuiftrompetvis! Het is hier vissig tot en met. Ik ga ze niet allemaal opnoemen, maar ze zijn er allemaal. Kijk, daar het je een papagaaivis, die schub aan schub met een trompetvisje zwemt. Ik zie vaker dat trompetvisjes het gezelschap van een normale vis opzoeken. Ik zie ook weer zo’n grote ronde vis, met gezellige lippen en dikke ogen; maanvis geloof ik. En hele mooie zwart-witte exemplaren, sommige met een hele hoge halvemaanvormige vin bovenaan. Een uur zijn we weg en als we weer in de buurt van de instap komen zien we van onderen opeens twee grote zwarte vormen, met daarom heen trappelende beentjes. Het zijn boten met een georganiseerde groep snorkelaars, ze dragen in geel slabbetje en hebben geen vinnen. Sommigen hebben zo’n grote spaghetti-drijfsliert onder hun oksel. Ik kijk omhoog naar het koddige en heel dikke lichaam van een vrouw die op z’n hondjes een beetje voortploetert. Ze zwemmen niet eens boven een rif en zien weinig. Marijke was ook aan het snorkelen, maar de Amerikaanse snorkeltoeristinvasie is ze gestopt. Wij gaan ook ons pak uittrekken en ik ga op de grond zitten om mijn mandarijntje te delen met een hagedisvriendje. Deze is maar klein en mist het puntje van z’n staart. Hij kan daardoor niet zo goed sturen en dat schept een band. Hij bijt ook in mijn vinger, maar dat zie ik aankomen en dat kleine bekje, dat voel je bijna niet. Terug naar huis, lunch, even chillen en dan duiken op het “huisrif”. Heb ik alleen nog maar in het donker gedaan, tijdens de science fiction tarponjacht. Maar nu zie ik het rif, een nare steile helling, in het daglicht. Nou, niet veel aan, lelijk en saai. Nee, grapje. Minstens een 8,6 en gelukkig ook niet zo diep. Duikman weet van een zeepaard waar z’n huis woont. Terwijl we zoeken hangt Jan bewegingsloos, eigenlijk ook als een soort zeepaard, verticaal tegen de mooie blauwe achtergrond. We schijnen met ons lampje in alle donkere stallen, maar hij is uit rijden. Niemand thuis. Jammer. Overal kijken we en duiken tussen de kleuren en het prachtige blauw. Er zit een zee-egel verstopt die zo groot is dat het wel een verzameling breipennen lijkt. Daar vlakbij een onbekende knaloranje anemoonsoort. En verderop mijn lievelingszwemmers, de koffervissen. Ze lijken wel verschillende kleuren aan te nemen, Marijke zei dat ook al. Ja, wacht eens even: Marijke heeft zojuist haar eerste persluchtduik gemaakt, met alles erop en eraan! Ted was haar instructeur. En het ging super, petje af! Ach kijk, een mini-koffervisje. Dat is nog niet eens een portemonneetje. Het ziet eruit als een zwart-wit geblokt legosteentje met twee propellertjes aan de zijkant, die de hele tijd frrrt, frrrt doen. Er zijn ook weer grote en kleine trompetvissen, en voor een groot geel koraalblad een heel orkest aan aquariumvisjes. Black Molly’s, gupjes, goudvisjes, streepvisjes, schele visjes en nog veel meer. Een lompe papegaai zwemt er dwars door heen. Au, roept Duikman, hij is geprikt. Hij laat zijn vinger zien, hij bloedt! Een kleine pluim groen bloed dwarrelt omhoog. Nu weet ik zeker dat het waar is dat de rode kleuren uit het spectrum onder water eerst verdwijnen. Hij knipt nog een keer en weer dwarrelt een mooi groen rookpluimpje uit zijn vinger omhoog. Ik ga een beetje alleen zwemmen en pielen. We zijn toch niet meer zo diep. Ik val bijna niet meer om schommel lekker in de deining. Op de bodem ligt een rups van vijf kilo, hij lijkt dood maar dat is niet zo. Ik kijk in de verte. Kijk ‘es wat een beest: dat’s gewoon een hutkoffer! Met zijn grappige o-mond kijkt hij ons dommig aan en zwemt dan weg. Op de bodem zien we nog twee keer een echte slang. Beige met witte stippen. De grootste is volgens mij iets aan het aanvallen, ik kijk er een hele tijd naar. Wat weer een mooie duik. Ik heb er niet zo veel gemaakt als de rest, lang niet zo veel, maar het snorkelen maakt heel veel goed. Het voelt in ieder geval of ik verschrikkelijk veel gedaan heb. De andere duikers hebben tussen de 15 tot 17 duiken gemaakt, top! Ik mijmer nog even wat door en zie dan vissen die er op de bodem een grote rotzooi van maken. Dat zijn altijd van die lichte vissen met gele strepen. Ze kunnen heel diep in het zand graven. Het is vandaag trouwens overal een beetje zanderig. De wind is behoorlijk aangetrokken. Zelfs een grote langoest ligt er stoffig bij. Het is een soort kreeft, maar dan zonder scharen. Nu alleen nog door de branding. Duikman vraagt zich af waarom dat zo zwaar gaat. Als we bij het huis zijn laat Jan de fles van Duikman eindelijk los. Captain Don was de eerste duiker die hier op Bonaire met het duiken begon en oog had voor de prachtige natuur. Naar hem is een groot complex vernoemd met appartementen, duikschool, bar en restaurant. We kunnen er met de benenwagen naar toe. Onze laatste avond. We kiezen een bord eten dat ons lekker lijkt. Maria, Don Corleone, Camera Cor en ik kiezen een Bonairse maaltijd. Het is flink zout, maar wel lekker, een stoofpotje met kip, wat rauwe groenten tegen de scheurbuik en polenta. Koninklijke kip tukkie, lekker. Ik kan niet zo heel lang op een stoel zitten en loop af en toe een rondje, ik maak wat foto’s, koop een zo lelijk mogelijk souvernir en zie een krab. In het licht van het terras zwemmen vissen in de zee, ook de Silver Kings. Maar dit lijkt meer op een dolfinarium of dierentuin, ik ga gauw weer naar de groep. We tellen onze laatste yankee dollars en lopen voor de laatste keer naar de Sunset Villa. Kan iemand anders de typfouten er even uithalen? Ik moet slapen.

Duikvakantie Bonaire - dag 12 en 13
De saaiste dag. Opruimen. Duikflessen en lood terugbrengen. Inpakken. Maar natuurlijk nog wel even onze achtertuinzee in. Alleen met masker en snorkelpijpje. We mogen vandaag niet meer duiken, dat heeft te maken met decompressie, stikstof en vliegen op grote hoogte. En natte duikpakken in je koffer proppen is ook niet zo handig. Alleen een snorkelslipje is voldoende. Het water voelt koel, je krijgt zelfs een beetje kippenvel, heerlijk. Ik probeer te filmen met mijn iPhone, met dat onderwaterhoesje. Erg lastig. In het water reageert het touchscreen niet, maar op het verkeerde moment toch weer opeens wel. Bovendien wordt het allemaal ook iets onscherp als het plastic hoesje niet strak voor de lens zit.’t Is eigenlijk geen doen. Gelukkig beschik ik over engelengeduld. Ik zie nog allerlei moois. Jan wijst een schorpioenvis aan. Hij zit er uit als een slappe bruin gespikkelde steen, zo ligt hij er ook bij. (De vis.) Niet aankomen, giftig! Een gestreepte vis geniet van het geknabbel van poetsvisjes. Een school paarse zwemmers eet synchroon de algen van een grote steen. Daarachter een grote gele trompet, een echte koperblazer. Ik blaas het water uit mijn snorkelpijp en zie dat ik al bijna bij de bootsteiger ben. Daar zaten vorige keer heel veel vissen. Nu niet, er staat erg veel deining en daardoor wervelt er veel zand rond. Ik stoot mijn hoofd aan een paal en ga terug. Ik schrik erg, trap op de rem - opeens is er op armlengte afstand een boot! Ik zou denken dat ik die wel aan hoorde komen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Als ik zeker weet dat hij stilligt langs de steiger zwem ik er voorlangs. Gelukkig was ik niet in de buurt van de schroef. De kapitein ziet mij en ik neem schuldbewust zijn Papiaments gemopper in ontvangst. Hij doet met zijn armen en met bijbehorende geluiden voor wat er gebeurt als ik in de schroef van de boot terecht zou komen. Da’s allemaal heus niet zo fraai. Ik knik dat ik hem snap en ga maar snel weer onder water. Voor de laatste keer zwem ik in deze mooie zee, ontvang vlak bij huis heel grappig een paar onderwatermailtjes en appjes terwijl ik in de zee drijf, en stuntel handig door de vriendelijke branding de kant op. Veel te vroeg zijn we natuurlijk op het kleine vliegveld. Gedoe met koffers in plaats van koffervisjes. Die van Duikman is vier boeken te zwaar, die moeten nu in de handbagage. De huurauto’s zijn afgetankt en teruggebracht. In een café is een beetje airco en een tafel om te typen. Daar zit ik nu. De meesten hebben hun lange broek al aan, ik zit nog in m’n jurkje en slippers, lekker. De slippers zitten vol cactusnaalden en zijn afgeschreven. Jurkje mag straks in mijn rugzak. Mijn broek en vest trek ik op het laatste moment aan; benieuwd hoe zoiets voelt, lange pijpen en lange mouwen. Ben het helemaal vergeten. We vlogen de verkeerde kant op, maar dat bleek zo te horen. We gingen eerst nog wat mensen op Aruba afzetten, de bofkonten. Verplicht moesten wij het vliegtuig uit om doelloos bibberend rond te hangen in het saaiste stukje Aruba. Mijn jurkje fladderde in de airconditioning. Gelukkig mochten we met voorrang weer het vliegtuig in. Jammer dat de vrije stoel naast me toen niet meer vrij was. Nu is het nacht. De piloot heeft bijna alle lichtjes uitgedaan nadat we ons bakjesdiner op hadden. Ik hang in de stoel met achterwerk naar rechts, dan naar links, benen onder de stoel voor me, dan weer voeten onder me, schoenen aan, schoenen uit, dekentje zus, dekentje zo. Mijn kussentje valt wel tien keer in het gangpad of bij de achterburen. Hoe doe je dat - slapen in een stoel? Ik ben er slecht in. Sommige mensen kunnen het goed, zoals Dopey, naast Piloot - maar zij speelt vals. Ik dommel wel een beetje weg, maar wordt steeds weer wakker met een stijve nek of dooie arm. Ik zie een aantal mannen die de hele nacht tv kijken. De hele nacht! Eindelijk ben ik zo uitgeput dat ik toch diep wegzak, maar het lijkt het ziekenhuis wel; precies dan komen de luchtvaartladies zo nodig ontbijt brengen. Zo duf als een konijn kauw ik op Duikmans broodje en geef hem mijn warme bakje ei met prut. Ik wrijf over mijn oren, ze willen naar huis. Een laatste bakje koffie en thee met z’n allen op Schiphol. Daarna splitsen we ons op in kleine groepjes en zoeken ons Nederlandse huis weer op. Waar ik de laatste woorden typ. Dankjewel gekke duikgroep, dankjewel Lambèr Dohmen - Sunset Villa, dankjewel Bonaire - dit vergeten we nooit meer! En anders blader ik even in mijn dagboek. Ik schrijf het dagboek voor mezelf, maar toch: dankjewel lezers voor jullie leuke en meelevende reacties.